Filosofisch Café Nijmegen

De astropoliet

door Wout van Tongeren

2 november 2010

Wat is het geheim van het populisme? Een tijdje geleden gaf een toneelschrijver de volgende analyse van de retoriek van een bekende populist:

“Op zichzelf beschouwd zijn redevoeringen van politici geen impulsieve, spontane uitbarstingen. In het algemeen volstaat de redenaar er […] mee, zijn rede met een zekere ernst voor te lezen, zijn argumenten een zekere indringendheid te verlenen enzovoorts. X pakt dat anders aan. […] Hij is een eenling, een held in het drama, en probeert het volk, liever gezegd het publiek, te laten zeggen wat hij zegt. Nauwkeuriger uitgedrukt: te laten voelen wat hij voelt. Alles komt er dus op aan dat hij zelf intens voelt. Om indringend te kunnen voelen, spreekt X als privépersoon en tot privépersonen. Hij redetwist met individuele personen, buitenlandse ministers of politici. […] Hij geeft zich over aan woedende scheldpartijen in de trant van Homerische helden, geeft lucht aan zijn verontwaardiging, maakt duidelijk dat hij zich maar met moeite kan inhouden om zijn tegenstander niet eenvoudig naar de strot te vliegen, roept hem, zijn naam en toenaam noemend, uitdagende woorden toe, maakt zich over hem vrolijk enzovoort. In dit alles kan de toeschouwer hem gevoelsmatig volgen, de toehoorder neemt deel aan de triomfen van de redenaar, hij neemt zijn houdingen over. […] X laat zijn toeschouwers zich in hem verdiepen, verstrikt hen in zijn bewegingen, maakt hen ‘deelgenoot’ van zijn zorgen en triomfen en bederft voor hen iedere mogelijkheid tot kritiek, jazelfs iedere blik op hun omgeving vanuit hun eigen standpunt.”

Geen politicus kan zich zo gemakkelijk tegenstrijdigheden veroorloven als Geert Wilders: wie hem tijdens de verkiezingsavond nog op televisie zag verklaren dat de verhoging van de AOW-leeftijd absoluut onbespreekbaar was, kon de volgende ochtend al het radiobericht horen: “Wilders laat breekpunt vallen.” Voor iedere andere politicus zou deze draai dodelijk zijn (wat is een breekpunt anders dan een standpunt je beslist niet zult opgeven?) maar Wilders komt ermee weg. Misschien heeft de toneelschrijver gelijk: eigenlijk is dit geen politicus, maar een ster, een acteur die met glans de rol speelt van de eenzame protagonist, verwikkeld in een zware strijd. De ster Wilders vraagt van ons niet dat we zijn kiezers zijn, hij wil dat we zijn kijkers worden. Natuurlijk vergeven we hem zijn grillen: wat hebben we James Bond of Don Corleone niet al vergeven?

Sterren betoveren. Ze weten ons te verleiden tot dingen die we uit eigen beweging niet zouden doen. Zo hebben mensen doorgaans weinig vertrouwen in ontwikkelingsprojecten. Als er dus weer een of ander corrupt en straatarm tropisch eiland door een natuurramp getroffen wordt, zijn journaalbeelden en tv-spotjes niet genoeg om donaties los te weken. Wat wel werkt, is een reeks sterrenoptredens in een avondvullend televisieprogramma. Die directeur van het rode kruis is een rijke hypocriet, maar Marco Borsato, dat is een goudeerlijke jongen. En als even later Wilders in een rood t-shirt achter de telefoon plaatsneemt om giften te noteren, dan doet het er al niet meer toe dat ontwikkelingshulp vorige week nog zinloos gesmijt met bakken vol geld was.

Die toneelschrijver, die zo’n treffend beeld van Wilders gaf, was trouwens Bertolt Brecht, overleden in Oost-Berlijn in 1956. De beschreven politicus was Adolf Hitler. Vaak wordt Wilders nogal hinkepoterig met hem in verband gebracht: die vergelijking gaat vrijwel altijd mank. Het rechtse geluid van Wilders is immers links gebeuzel vergeleken met de fascistische kreten van de Nazi’s. Naast Der Ewige Jude is Fitna een onhandig knutselwerkje, en een kopvoddentaks straalt niet de daadkracht uit van een Endlösung. (Ik vraag me zelfs af of de PVV werkelijk zoveel nationalistischer is dan de voorlopers van PvdA, CDA en VVD in de jaren ’30 waren.) Maar op dit punt lijkt mij de vergelijking opgaan: net als Hitler is Wilders er uiterst bedreven in, burgers tot toeschouwers te maken: het electoraat wordt een publiek dat zich zozeer inleeft in zijn protagonist, dat het zich maar al te graag door hem laat meevoeren in een bloedstollend drama. Wilders en Hitler delen dus het talent om de inhoud van hun boodschap onderschikt te maken aan hun acteerprestatie. Met verve spelen ze de rol van de gekwetste, maar strijdvaardige eenling, en intussen splitsen ze andere politici een bijrol op het derde plan in de maag. Hun standpunten zijn slechts decorum; maatschappelijke problemen moeten niet worden opgelost, maar opgetuigd tot dramatische monsters waartegen de held vervolgens het zwaard kan heffen.

Wilders is misschien een bedreiging voor Nederland, maar niet vanwege de inhoud van zijn programma. Dat programma had evengoed links als rechts kunnen zijn (en wie weet met wat voor verassende wendingen hij in een volgend bedrijf nog op de proppen komt). Wat werkelijk gevaarlijk zou kunnen zijn, is dat Wilders geen politicus is, maar een ster. Vandaag bevecht hij in zijn eentje horden moslims voor de poorten van de stad, morgen zamelt hij geld in voor de hulpeloze slachtoffers in de tropen.

Er zijn twee redenen waarom iemand zich ertoe geroepen kan voelen ontwikkelingswerk te steunen. Ofwel omdat hij ertoe overgehaald wordt door een ster, (en dan doet hij het in een roes, of hij nu overtuigd is van de zin ervan of niet) — ófwel omdat hij werkelijk gelooft dat hij de verantwoordelijkheid heeft, zijn medeburgers in den vreemde te ondersteunen. Als wereldburger beschouwt hij het als zijn plicht bij te dragen aan de ontwikkeling van zijn naasten, zelfs al wonen die op een afgelegen eiland, spreken ze een onbegrijpelijke taal en hebben ze vreemde rituelen met rondedansen, maïsmeel en kippenbloed. Deze kosmopoliet heeft misschien wel kritiek op de praktijk van het huidige ontwikkelingswerk, maar dat doet geen afbreuk aan zijn overtuiging dat hij medeverantwoordelijk is voor wat er buiten zijn landsgrenzen gebeurt.

‘Kosmopoliet’ betekent letterlijk niet ‘wereldburger’, maar zoiets als ‘heelal-stedeling’. De Russen gebruiken een ruimtereiziger het woord космонавт (kosmonaut), terwijl de Amerikanen het hebben over een astronaut, een sterrevaarder. De Russische term moet gemunt zijn door een bescheiden realist, de Amerikaanse door een pretentieuze fantast. Want misschien mag de NASA er dan binnen enkele decennia met de grootste moeite in slagen de buurplaneet Mars te bereizen (laatst hoorde ik dat men over een jaar of 10 wellicht heen zou kunnen gaan, maar nog niet terug); het lijkt echter onwaarschijnlijk dat men binnen afzienbare tijd het zonnestelsel zal kunnen verlaten, laat staan dat men in de buurt zou kunnen komen van een volgende ster. Om te kunnen zeggen dat je een sterrenvaarder bent, moet je dus schitterend kunnen liegen. Om de kosmos te bevaren, is het daarentegen genoeg de dampkring te verlaten (zoals je al een oceaanvaarder bent zodra je Ierland voorbij bent).

Net zoals alle ruimtevaarders per definitie kosmonauten zijn, zo is natuurlijk iedere aardbewoner in feite een wereldburger. Maar misschien moeten we toch zeggen dat in Nederland twee soorten wereldbewoners te vinden zijn: de ene gelooft dat zijn wereldburgerschap verantwoordelijkheden meebrengt die de landsgrenzen te buiten gaan. (En hoewel het woord ‘kosmopoliet’ misschien wat overdreven is, is het geen leugen als we hem zo noemen). Tegenover deze kosmopoliet staat de astropoliet, die droomt van een wereld bevolkt door sterren. Tony Soprano is zijn buurman, Nicole Kidman zijn minnares. Hij verplaatst zich via de televisie, internet is zijn achtertuin en zijn stamkroeg heet De wereld draait door. En inderdaad: hij stemt op een partij die geen partij is, maar iets veel vagers: een beweging — dat wil zeggen: een stuk of wat satellieten die cirkelen rondom één ster.

Misschien gelooft deze astropoliet werkelijk in zijn fantastische wereld, maar moeten we hem daarom ook als kiezer serieus nemen?