Filosofisch Café Nijmegen

De Politiek: Gebrek aan Vakmanschap

door Jonne Hoek

5 mei 2009

Ik wil deze column beginnen met een bekentenis: ik houd niet van computers en vooral niet wanneer ze kapot zijn. In het verleden heb ik hele nachten opgeofferd aan het herformatteren van harde schijven, het ordenen van bestanden en het installeren van hardnekkige sofware. Daar heb ik geen zin meer in. Als mijn computer nu kuren begint te vertonen dan bel ik meteen een vriend op. Hij komt binnen, gaat achter mijn scherm gaat zitten, laat zijn handen soepel over het toetsenbord ratelen en komt na tien seconden al met de eerste probleem-diagnose. Onbegrijpelijke afkortingen en engelse vaktaal vliegen me dan om de oren. Het eerste half uur probeer ik iets van zijn geheimtaal te begrijpen. Dat lukt natuurlijk niet, en eigenlijk vind ik dat helemaal niet zo erg. Ik vind computers namelijk niet interessant, en al helemaal niet wanneer ze niet werken. Wat een geluk dat ik een computer-nerd ken die expert is op dit gebied, iemand die zijn vak kent en het nog leuk vindt ook!

Ik heb in het kader van vanavond mijzelf twee vragen gesteld over mijn verhouding tot experts of vakmensen:

1. Is er sprake van een kloof tussen mij en de expert?

Zonder enige twijfel. Wanneer mijn computer-nerd begint te praten dan begrijp ik er snel al geen jota meer van. De expert bezit 1. een kennis die ik niet heb, 2. spreekt een taal die ik niet spreek, 3. en wanneer een expert zijn oordeel velt dan leg ik me daar gevoeglijk bij neer zonder te weten waarom: Je trapas is kapot zegt de fietsemaker, je hebt een keelontsteking zegt de dokter, je hebt een groter RAM geheugen nodig zegt mijn computer-expert. Ik geloof deze mensen op hun woord, zonder te weten waarom.

2. Is deze kloof tussen mij en de expert ook hinderlijk?

Ik denk van niet. Ik ben blij dat er mensen bestaan die het daadwerkelijk leuk vinden om uren achtereen naar een beeldscherm te staren, zich te verdiepen in het wetboek of iedere dag om vier uur ’s nachts op te staan en brood te bakken. Je zou dus kunnen zeggen dat ik juist heel erg blij ben met de kloof tussen mij en de vaklui; dit is namelijk wat de vaklui speciaal maakt en waardoor ze mij het leven gemakkelijker  kunnen maken.

Op dit punt wil ik alvast een voorlopige conclusie uitspreken: Politici zijn blijkbaar geen vaklui of experts, want waren ze dit wel geweest dan had ik de kloof tussen mij en de politiek niet als hinderlijk ervaren.

Bijna onze hele samenleving bestaat uit vakmensen. Advocaten, timmerlui, professoren, fietsenmakers, bakkers en niet te vergeten mijn eigen computer-nerd. Allemaal mensen die zich hebben toegelegd op een bepaald gebied, een speciale kennis hebben verworven die ik niet bezit, en -terwijl ze hun geld verdienen- mij het leven gemakkelijker maken.

Wat als er geen experts waren? Stelt u zich eens voor om iedere dag om vier uur ’s nachts op te moeten staan om brood te bakken en vervolgens de krant te schrijven die u bij het ontbijt wilt lezen. U zou uzelf te moeten opereren, of als tandarts een wortelkanaal-behandeling geven en juridisch advies verschaffen zonder enig verstand van de wet. Al snel wordt duidelijk dat een leven zonder experts onplezierig, zo niet onmogelijk is.

Nu over naar de politiek. In lijn met het voorgaande knoop ik aan bij een beroemd filosoof die, wanneer het aankwam op de politiek, oog voor vakmanschap en expertise had. Ik heb het natuurlijk over Plato die Socrates in de Politeia de ideale samenleving laat uitdenken. Deze ideale samenleving maakt Socrates door iedere burger een eigen expertise te geven. Deze samenleving van Socrates wil recht doen aan vakmanschap: de gedachte is dat wanneer iedereen zijn eigen expertise kan uitoefenen, de resultaten het beste zullen zijn, iedereen tevreden is en alles op rolletjes loopt.

We weten allemaal dat Plato geen vriend van de democratie was, en wanneer we kijken naar het project in zijn Politeia dan is dat ook niet verwonderlijk. Hij probeert namelijk een samenleving uitsluitend uit vakmensen en experts op te bouwen. Dit heeft als consequentie dat ook de politiek een gebied is waar er bepaalde experts zijn, vaklui die het beter weten dan andere mensen. Deze experts zijn de beruchte filosoofkoningen, die in al hun wijsheid alle andere experts mogen vertellen wat ze moeten doen.

Al had Plato ongetwijfeld goede bedoelingen met zijn politieke idealen, tegenwoordig zetten we dit idee van de filosoofkoningen gemakkelijk gelijk aan dat van een dictatuur. In onze samenleving volgen we het plan van Plato daarmee bijna helemaal op; uiteindelijk is ook in onze samenleving iedereen een expert op zijn eigen gebied, maar er is één belangrijke uitzondering: wat de politiek betreft zijn er geen experts meer, daar hebben we allemaal stemrecht en kan iedereen zich op eigen titel verkiesbaar stellen. Nu heeft niemand de autoriteit en heeft iedereen evenveel te zeggen. Waar Plato dus de gehele samenleving uit experts opbouwt, hebben wij er voor gekozen één beroep hiervan af te zonderen.

En hiermee kom ik bij het slot van mijn column: politici zijn de enige mensen in onze samenleving die geen aanspraak kunnen maken op vakmanschap of expertise. Daarmee bedoel ik dus niet dat politici per definitie beunhazen of amateurs zijn maar dat er in de politiek zoals wij die begrijpen gewoonweg geen sprake kan zijn van expertise of amateurisme. Grote vraag is nu wat Politici in onze representatieve democratie dan wel zijn en heel eerlijk gezegd heb ik op deze vraag nog geen goed antwoord gevonden.