Filosofisch Café Nijmegen

Filosofeer Met Mate

door Annemarie van Stee

2 maart 2010

Goedenavond beste mensen. Ter inleiding van deze column een kleine persoonlijke anekdote over een voorval aan het einde van de afgelopen zomer.

Het was een mooie dag geweest. ’s Ochtends had ik een boek van Kierkegaard uitgelezen en ik had goede aantekeningen gemaakt. ’s Middags had ik een prachtig cijfer gekregen voor mijn scriptie en ‘s avonds had ik als klap op de vuurpijl nog een stuk van de dagboeken van Etty Hillesum tot me genomen (waarover later meer). Al met al zat ik zo aan het einde van de dag vol van die fijne, verheven gedachten die u misschien ook niet geheel onbekend zijn. Wat is het leven met de filosofie toch mooi dacht ik, en mijmerde over de manieren waarop de filosofie mijn leven verrijkte. Ik was behoorlijk tevreden over mijzelf.

Ik weet niet precies hoe het gekomen is, maar ik vermoed het volgende: Onze lieve Heer bezag mij vanuit de hemel en alle zelfvoldaanheid werd hem iets te gortig. Hij besloot over te gaan tot actie, met behulp van een simpel, maar daardoor des te doeltreffender middel: hij stuurde een paar insecten, en dan niet van die onschuldige vliegjes waar ik meestal wel raad mee weet, maar de net iets grotere exemplaren waar ik bepaald geen fan van ben. En zo geschiedde het dat ik vlak voor het slapengaan een langpootmug ontdekte op het plafond in de hoek van mijn kamer, en bovendien tussen de lamellen een mij onbekend insect dat nog het meeste weg had van een gifgroene versie van een sprinkhaan.

Ik analyseer de situatie. Ik zucht. Ik besluit naar het toilet te gaan in de hoop dat het probleem zich in de tussentijd vanzelf oplost. Dit blijkt bij terugkomst niet het geval. Gewapend met een vliegenmepper manoeuvreer ik me tussen bank en tv. Zonder al te veel overtuiging geef ik de langpootmug een tik. Hij valt naar beneden, achter de tv. Die ruim ik morgen wel op denk ik en ga naar bed. Beste mensen, zoals u misschien weet: langpootmuggen hangen erg aan het leven. Zij kennen het klappen van de zweep. Ik had beter moeten weten. Ik wist ergens ook wel beter, want de slaap waartoe ik overging was rusteloos. Ik woelde, draaide, luisterde soms alert om daarna weer in rusteloze dromen te verzinken.

Middenin de nacht schrik ik wakker door luid gezoem en geritsel bij m’n hoofd. Ik stuif m’n bed uit en doe het grote licht aan. De adrenaline giert door m’n lijf. En ja hoor, de langpootmug is springlevend de muur vlak boven mijn hoofdkussen aan het verkennen. Bovendien zie ik tot mijn grote verbazing ook de gifgroene sprinkhaan: hij komt via het plafond rustig aangewandeld en zal binnen een paar minuten het gebied boven mijn bed bereiken.
Ik slaak een kreet die net zo ongecontroleerd is als het zenuwachtige gevlieg waar de langpootmug toe is vervallen. Meteen schaam ik me diep en hoop dat m’n huisgenoot het niet heeft gehoord. Hierna verstrijkt behoorlijk wat tijd waarin ik mezelf tot kalmte maan, geïrriteerd ben over de situatie en dan geïrriteerd over mezelf. Maar ook dat neemt af en uiteindelijk weet ik de langpootmug om het leven te helpen (excuses voor de insectenminners onder u) en het sprinkhaanbeest te vangen en uit het raam te gooien. Tegen die tijd zie ik de hilariteit van de situatie wel in en ik noteer tussen 4 en 5 nog wat gedachten die me bij het schrijven van deze column goed van pas kwamen. Het plannetje van onze lieve Heer heeft gewerkt. In ieder geval, waar het mijn zelfvoldaanheid betreft; van grote insecten houd ik nog steeds niet.

Nee, ik ben bepaald geen Etty Hillesum. Wie is Etty Hillesum? Ik zou haar niet snel een filosoof noemen, maar een denker is zij zeker wel. Zij is van Joodse afkomst, ook al is zij niet religieus opgevoed. Zij werd in 1914 geboren en stierf in Auschwitz in 1943. De enige geschriften die wij van haar hebben, zijn een aantal brieven en haar dagboeken, die de periode van 1941 tot 1943 bestrijken. Bijzonder genoeg gaat het in de dagboeken niet in de eerste plaats over de oorlog. Haar dagboeken getuigen vooral van de enorme geestelijke ontwikkeling die zij doormaakt in die jaren. Hillesum denkt veel na, reflecteert op zichzelf, op anderen, op ontwikkelingen in de wereld. Ook leest zij veel filosofie en literatuur en verhoudt zich tot de teksten die zij leest; allemaal activiteiten die de gemiddelde filosoof niet misstaan. Maar toch is haar aanpak fundamenteel anders. Hillesum betrekt haar hele persoon bij wat zij denkt. Ze schrijft: het “weten moet ook in je bloed, in jezelf zitten, niet alleen in je hoofd, je moet het ook léven. En hier kom ik altijd weer op terug en men moet er zich een leven lang in oefenen, dat, zoals men het leven in een wereldbeschouwing aanvaardt, men het ook zo leeft in z’n gevoel (11-11-1941).

Hillesum is daarbij zeker geen heilige, haar ontwikkeling gaat gepaard met veel vallen en toch telkens weer opstaan. Maar gaandeweg ontwikkelt zij een rijk innerlijk leven, waarbij ze haar weg vindt naar een bron van innerlijke kracht die zij God noemt. Doordat zij zich richt op de ruimte in haar innerlijk leven, op de orde en maat, zo je wilt, die daar gelden, blijft ze ongebroken onder de geperverteerde orde die om haar heen, in de nazi-werkelijkheid van die tijd, heerste. Op 20 juni 1942 schrijft ze:

“Om te vernederen zijn er twee nodig. Diegene, die vernedert en diegene, die men wil vernederen en vooral: die zich láát vernederen. Ontbreekt de laatste, dus: is de passieve partij immuun voor iedere vernedering, dan verdampen de vernederingen in de lucht. […] Ik fietste langs de Stadionkade vanochtend en genoot van de wijde hemel daar aan de rand van de stad en ademde de frisse, ongerantsoeneerde lucht in. En overal bordjes, die wegen, de vrije natuur in, voor joden versperd hielden. Maar boven dat ene stuk weg, dat ons blijft, is ook de volledige hemel. Men kan ons niets doen, men kan ons werkelijk niets doen. Men kan het ons een beetje lastig maken, men kan ons beroven van wat materiële goederen, van wat uiterlijke bewegingsvrijheid, maar wijzelf plegen de grootste roof aan ons, wij roven ons onze beste krachten door onze verkeerde instelling. Door ons achtervolgd, vernederd en verdrukt te voelen. Door onze haat. Door branie, die angst verbergt. Men mag best soms treurig en terneergeslagen zijn over het ons aangedane, dat is menselijk en begrijpelijk. Maar toch: de grootste roof aan ons plegen wij zelf. Ik vind het leven mooi en ik voel me vrij. De hemelen binnen in me zijn even wijd uitgespannen als boven me. Ik geloof aan God en ik geloof aan de mensen en ik durf het langzamerhand eerlijk te zeggen zonder valse schaamte. Het leven is moeilijk, maar dat is niet erg.”

Hillesum blijft de harde oorlogsrealiteiten onder ogen zien, loopt daar niet voor weg, maar geeft ze niet het laatste woord. “Zou ik deze manier van werken met dezelfde overtuiging en overgave kunnen voortzetten, wanneer ik met acht hongerige mensen in één smerige kamer woonde?” (9-6-1942) vraagt ze zich af. Ze zet zich meerder malen uiteen met de ondergang waarvan ze weet dat die haar waarschijnlijk wacht en oefent zich erin ook in het zicht van die ondergang niet verbitterd te raken, maar haar levenskracht en innerlijke vrijheid te bewaren. Het inspirerende is: dat lukt haar meestal. In het dagboekstuk waarin ze schrijft dat haar geliefde net is overleden, en zij op het punt staat gedeporteerd te worden, schrijft ze ook: “ik ben zo gelukkig en zo dankbaar en ik vind het leven zo mooi en zinrijk” (16-9-1942).

Juist. Onder die omstandigheden. Daar stond ik dan in mijn kamer, van slag te zijn door een paar insecten in de nacht en met het stuk tekst van Hillesum dat ik die avond had gelezen nog in mijn achterhoofd. Al met al een behoorlijk bescheiden makende ervaring. Nee, ik ben geen Etty Hillesum. Maar wat dat betreft ben ik dan wel weer in goed gezelschap. U kent misschien de anekdotes over de grote filosoof Immanuel Kant. Alle woorden om de stereotiepe Duitser te beschrijven, schijnen op dhr. Kant van toepassing geweest te zijn: hij was ordentlich, pünktlich, en gründlich. Het verhaal gaat dat hij iedere dag stipt om half vier zijn deur uitstapte voor zijn dagelijkse wandeling. Zo stipt schijnt hij geweest te zijn dat de inwoners van Königsberg hun klok gelijk zetten op de wandelingen van de heer Kant. Deze man heeft zich zijn hele leven aan z’n strakke dagritme gehouden en verliet zijn woonplaats, Königsberg, zelden of nooit. Nu, in zijn filosofische werk over de vraag ‘Wat is de mens?’ beschrijft hij manieren om tot adequate mensenkennis te komen. Het is niet genoeg om de gang van zaken in de wereld en tussen de mensen alleen maar te observeren, schrijft hij, je moet werkelijk deelnemen aan het leven om het te kunnen begrijpen. En, gaat hij vrolijk verder, het beste middel om tot mensenkennis te komen is door te reizen, want al reizende kom je heel veel verschillende soorten mensen tegen. Maar dan lijkt hij zich te realiseren hoezeer hij verankerd is in z’n woonplaats en z’n dagritme en voegt toe: nu ja, misschien is het lezen van reisbeschrijvingen ook goed genoeg.

Van filosoferen over de mensen, over het leven en de wereld kun je je beroep maken. Je kunt het als wetenschap bedrijven, de 2 publicaties per jaar produceren die de universiteit je voorschrijft, zodat je je baan behoudt die het brood betaalt. Van filosoferen over het leven en de wereld kun je je hobby maken, door zo af en toe een boek lezen, één keer in de maand naar het filosofisch café komen, om daarna onder het genot van een goed glas wijn nog even door te discussiëren met een paar goede vrienden. Begrijp me niet verkeerd, daar is allemaal niets mis mee. Maar wat Hillesums dagboeken duidelijk maken is dat een levensfilosofie groter en waardevoller kan zijn dan dat. Filosofie kan geleefd worden. Bepaalde gedachtegangen kun je langzaam maar zeker vlees en bloed laten worden, deel laten uitmaken van hoe je in het leven staat. Dit is echter veel moeilijker dan het halen van goede cijfers voor filosofiescripties op de universiteit, en tegelijkertijd is voor het voor meer mensen, ja voor iedereen, bereikbaar.
Vandaar, ten slotte een onorthodoxe oproep van mij, redactielid van het filosofisch café, en als zodanig onder andere verantwoordelijk voor de boekentafel van Augustinus: beste mensen, koop minder boeken! Heeft u thuis een kast vol boeken, waarvan een hele plank u ongelezen staat aan te kijken? Begin niet aan die nieuwe boeken. Herneem een boek dat u ooit heeft gelezen en dat u aansprak, waarin u iets van wijsheid herkende, iets van een orde die het waard is u ernaar te richten. Heeft u niet zo’n boek? Koop dan de dagboeken van Etty Hillesum. Lees tot u iets opvalt, aanspreekt, zomaar een enkele zin. En probeer dan die enkele zin te leven.

Reflecteer, discussieer, filosofeer! Maar wel met mate.
Leef.