Filosofisch Café Nijmegen

Verzoening met Ziekte

door Bernice Breuer

7 april 2009

Het thema van de maand van de filosofie is dit jaar ‘verzoening’, en de vraag van deze avond luidt dan ook: ‘Is verzoening mogelijk?’ Om op deze vraag een zinnig antwoord te kunnen geven, moeten we eerst zien wat dat ‘verzoenen’ nu precies inhoudt. De Van Dale geeft als beschrijvingen van het werkwoord verzoenen o.a.: 1) de vijandschap doen ophouden, vrede sluiten 2) zich met iets verenigen, ergens vrede mee hebben en 3) zijn bezwaren tegen iets overwinnen, zich ergens bij neerleggen.

Ah, dat is wel duidelijk ja. Verzoenen betekent dus: het strijdbijltje begraven met iets of iemand. Maar de situatie, waardoor er eerst strijd was (immers: geen verzoening zonder strijd!), is dus in feite nog steeds op de achtergrond aanwezig: de strijdbijl is er nog, ook al is hij in begraven toestand aan het oog onttrokken. Tja, die strijd. Zei Herakleitos niet al dat deze ‘de vader van alle dingen’ (polèmos pater pantôn), en Schelling dat ‘waar geen strijd is, geen leven’ (‘wo nicht Kampf ist, ist nicht Leben’) is?

Strijd lijkt dus een essentieel deel van het leven uit te maken, dus wellicht dat er ook situaties bestaan doe onverzoenbaar zijn, of waar verzoening en strijd zelfs samen bestaan? We zullen zien…

Ik wil het bij deze gaan hebben over een heel specifieke situatie: de situatie van langdurige ziekte en lichamelijk ongemak. Mijn vraag is dan ook: kunnen wij ons verzoenen met een ziekte? Of beter gezegd: in hoeverre kunnen wij ons hiermee verzoenen?

Ik heb het hier uiteraard niet over een griepje, maar over chronische ziekten, die iemands leven grondig overhoop kunnen halen. Het maakt niet uit of het een lichamelijke of psychische ziekte is: Je ‘hebt’ iets dat je niet wilt hebben, het is er, of je nu wilt of niet, en je kunt er niet van wegvluchten. Een problematische toestand dus, waarbij vrede sluiten en verzoenen ver te zoeken is: we accepteren deze situatie niet en binden er zo snel mogelijk de strijd mee aan. Maar: de strijd aanbinden met je ziekte door medicijnen te gebruiken, betekent vaak een heus geschipper tussen de Scylla van de ziekte en de Charybdis van de bijwerkingen. Maar als je niks gebruikt blijft de ziekte gewoon bij je, als een ongenode gast die je leven overhoop haalt en dat langzamerhand wil gaan beheersen. Hoe dan ook: je zit eraan vast en móet er iets mee… Maar wat dan? Dat hangt nu dus net weer af van in hoeverre je je met je situatie kunt verzoenen.

Nou ja zeg…..zo komen we ook niet veel verder! Wat nu te doen? Is er wellicht een filosoof in de zaal die ons verder kan helpen? Liefst een ervaringsdeskundige op ziektegebied, als het kan! Ja, ik zie daar al een meneer met een grote snor opstaan…en een al even grote hamer! Meneer Nietzsche, zegt u het eens?

Wel, als lijder aan migraine, maagklachten, slechte ogen en wat al niet meer ben ik zeker een ervaringsdeskundige. En toevallig ben ik ook nog eens filosoof, dus dat treft!

Wat mijn ervaring met ziekte betreft zou ik willen zeggen: Ik maakte van mijn wil tot gezondheid, tot leven, mijn filosofie. Toen ik ziek was, nam ik mij op een gegeven moment zelf in de hand, en maakte mezelf weer gezond. Ik bleef dus niet bij de pakken neerzitten en verdrinken in zelfbeklag, maar besloot om iets van mijn leven te maken en te leren van mijn lijden; de ‘positieve’, constructieve kanten van mijn ziekte te zien. Het was niet voor niets juist in díe jaren, waarin mijn  vitaliteit op zijn laagst was, waarin ik ophield pessimist te zijn: het instinct van het zelf-herstel verbood me een filosofie van armoede en ontmoediging… En ik besefte dat men een geslaagde/gelukte mens daaraan herkent, dat hij uit alles wat op zijn pad komt alleen dát selecteert wat bevorderlijk, nuttig voor hem is. Hij ontdekt zo heelmiddelen tegen beschadigingen en tracht zich zelfs uit kwade toevalligheden/voorvallen nut/voordeel te verschaffen. Want: wat hem niet doodt, maakt hem sterker!

Dus: In plaats van het boze lot aan te klagen omdat het mij als willekeurig slachtoffer van een zinloos lijden had uitverkoren, besloot ik dit lot lief te hebben (amor fati) en haar grillen te aanvaarden. Want, mensen: we moeten een keuze maken. Óf je zegt ‘ja’ tegen het leven en neemt het, zoals het komt, óf je zegt ‘nee’ en gaat ten onder. Het mag duidelijk zijn, dat ik voor de eerste optie heb gekozen. Deze keuze nu staat m.i. voor ware gezondheid. En alleen degene die déze gezondheid bezit, kan genezen. Ik zie mijzelf dan ook niet veeleer als een zieke, maar als een genezende. Daarbij treed ik niet alleen als arts voor de cultuur op, maar ook als arts voor mijzelf en blijf ik op zoek gaan naar allerlei heelmiddelen om mijzelf beter te maken2. Want mijn instinct voor zelf-herstel verbiedt mij dus in feite mij te verzoenen met mijn lichamelijke kwalen. Waarmee ik mij dus echter wél verzoend heb, is het feit dát ik deze kwalen heb gekregen, met mijn lot. Maar ik heb gekozen voor het leven, míjn leven, en probeer er dus van te maken wat er van te maken valt!

Bedankt meneer Nietzsche! Als ik het goed begrijp, moet je dus in feite eerst kiezen, of je je wilt/kunt verzoenen met je lot, dus het feit dát je ziek bent. Maar met de ziekte zelf verzoen je je in feite dus alleen met datgene waar je wat aan hebt, waar je van kunt leren, wat je uiteindelijk sterker maakt. Tegen het overige blijf je dus, in naam van je instinct tot zelf-herstel, strijden. De verzoening met de voortdurende strijd tegen de verzwakkende aspecten van ziekte dus….