Filosofisch Café Nijmegen

Postbus 51

door Dirk Geurts

2 februari 2010

Geachte filosofen en andere geïnteresseerden, ik ben blij dat ik hier vanavond mag zijn. Het gebeurt me niet vaak dat ik tegenover een grote groep denkers mag staan en ook nog wat mag zeggen. Ik zal de kans dan ook niet onbenut laten om wat met deze bevoorrechte positie te doen. Ik zal eerst een probleem dat ik heb, aan jullie voorleggen en vervolgens vertellen hoe jullie dat op kunnen gaan lossen.

Maar eerst wil ik, zoals de beleefdheid gebiedt, de organisatie bedanken voor de uitnodiging om hier te spreken over geest en lichaam. Met deze uitnodiging nam de organisatie al stiekem een standpunt in het debat in. Ze nodigden namelijk mij uit, maar specificeerden niet wat ze nu wilden: mijn geest, mijn lichaam of beide. Nu hebben ze geluk gehad en sta ik hier met zowel mijn lichaam als mijn geest.

Dit mag flauw klinken, maar het is volgens mij belangrijk op te merken hoe sterk de associatie tussen lichaam en geest is, die wij zo in het dagelijks leven omtrent personen maken. Niemand zou uitspellen dat hij alleen een geest van iemand zou willen of alleen het lichaam. Het zit er helemaal ingebakken dat bij een niet dood menselijk lichaam een geest hoort en andersom. Ik ben voor zover ik weet, ook nog nooit de één zonder de ander tegengekomen. En ik geloof er ook heilig in dat als ik zo’n losse geest tegen zou komen, dat ik dan niet in het bestaan van losse geesten moet gaan geloven, maar aan de capaciteiten van mijn eigen geest moet gaan twijfelen.

Hoe stom het mij ook voorkomt in geesten te geloven, het heeft blijkbaar een grote aantrekkingskracht. In het spookje Casper zullen de meeste mensen niet geloven, maar dat onze eigen geest wel eens buiten ons lichaam zou kunnen rondzwerven, daar is meer animo voor. Dit blijkt wel uit de verkoopcijfers van het boek van cardioloog van Lommel, die schrijft over bijna-doodervaringen, waarbij de geest uit het lichaam treedt. Op zich niks mis mee een spannend boek over geesten, maar jammer dat het gepresenteerd wordt als een wetenschappelijk onderbouwd betoog, wat onomstotelijk zou aantonen dat onze geest uit ons lichaam kan komen. Het is echter een flinterdunne bewijsvoering, als je al van bewijsvoering kan spreken, met uit de lucht gegrepen conclusies, in inderdaad wel een wetenschappelijk jasje. Dat dat wetenschappelijke jasje niet altijd door de waarheid wordt gedragen en zelfs mensen op het verkeerde been kan zetten heeft professor Slors net al laten zien.

Weer naar geest en lichaam. Die gaan dus op deze wereld altijd samen, althans waar een geest is, is een lichaam.

In de discussie omtrent de verhouding tussen lichaam en geest wordt deze correlatie op zich niet als problematisch gezien, maar het ‘hoe’ van deze correlatie. Hoe komt dat samengaan van lichaam en geest tot stand? Hoe zit die geest vast aan dat lichaam? Maar ook waar zit die geest vast aan het lichaam? Deze laatste vraag is door de tijd heen nogal verschillend beantwoord.

Bij Aristoteles was de geest nog de vorm van het gehele vleselijke lichaam. Bij Descartes bungelde hij nog maar aan een heel klein hersenkliertje. Dit klinkt zielig, maar ter compensatie kreeg de geest wel zijn geheel eigen substantie los van het lichaam. En tot het einde van de 20e eeuw zijn verschillende hersendelen de plek van verschillende deeltjes van de geestelijke vermogens geweest: het zien zit hierachter, het begrip hier aan de zijkant, de emoties diep van binnen en ons menszijn komt met name hier van voren.

Nu wordt in het algemeen gedacht dat de geestelijke vermogens toch wat diffuser over het brein liggen.  Er gaan echter al geluiden op om de geest niet alleen tot de hersenen te beperken, maar om weer terug te komen bij Aristoteles, ook het lichaam een grote rol te geven in de oorsprong van de geest.En een aantal cognitiewetenschappers willen zelfs daar nog niet stoppen en vinden dat het onderscheid tussen lichaam en omgeving arbitrair is en zo vervloeid de geest zelfs vanuit ons lichaam de omgeving in. We zullen nog wel even bezig blijven met de ‘waar’-vraag.

Een andere, belangrijke vraag die ten dele met de ‘waar’-vraag te maken heeft, is hoe de geest zich verhoudt tot bepaalde delen van het lichaam of bepaalde lichaamsprocessen? Is de geest te reduceren tot lichaamsprocessen? Is de geest een theoretische module in de volkse psychologie, die binnenkort of over iets langere tijd achterhaald zal worden door harde bevindingen van de cognitie- en hersenwetenschap? Is de geest überhaupt iets anders dan een black-box tussen input en outputrelaties van het organisme dat zich op een bepaalde manier gedraagt? Of is de geest totaal verschillend van materiele lichamen of processen? Houdt zij zich op buiten materiele wereld? Onttrekt zij zich aan de wetten van de fysica? Maar hoe grijpt ze dan op ons lichaam aan? Zullen we haar ooit wetenschappelijk kunnen bestuderen? Zullen we haar überhaupt ooit kunnen begrijpen?

Nou, tsjonge jonge, je gaat er even voor zitten en er komen zo tientallen vragen voor het voetlicht die allemaal van belang lijken voor het debat. Als je gaat zoeken in de literatuur bij de mensen die er lang en breed over hebben nagedacht, komen er nog veel meer bij en worden er weinig beantwoord. Gelukkig zijn we dit als filosofen gewend en zijn wij er niet alleen op uit om vragen te beantwoorden; een categorisering van de vragen, een structurering van de problemen en een opdeling van de verschillende standpunten geeft ons al een goed gevoel.

Ik wil aan al de moeilijkheden die bij deze standpunten opkomen voor het gemak even voorbij gaan en eens kijken naar het dagelijks leven.

De hele dag door merken we dat gedachten gedragingen opleveren, dat als we ons lichamelijk op een bepaalde manier gedragen dat dit onmiddellijk invloed op ons geestelijke leven heeft, dat als we dingen in ons lichaam stoppen, zoals bij eten of duidelijker nog bij alcohol, onze geest daarop altijd een reactie geeft en ga zo maar door: angst, somberheid, pijn, maar ook vreugde en genot zijn altijd en nooit niet samengesteld uit lichamelijke en geestelijke gesteldheden. Het is één mooie, grote smeltkroes die geest en dat lichaam! En daar wordt ook dankbaar in de bestwerkende psychotherapieën, zoals bijvoorbeeld cognitieve gedragstherapie, gebruik van gemaakt.

Toch blijven mensen tegen deze innige verbondenheid, die mooie eenheid in het verzet komen. Ik zie het vrijwel iedere dag terug op mijn spreekuur bij psychiatrie in Nijmegen. Mensen die verbaasd zijn als ze lichamelijke klachten ervaren bij somberheid of als ze geestelijke problemen krijgen als ze stoppen of starten met pillen. En ongeloof als ik een relatie probeer uit te leggen tussen gedachten, gevoel, gedrag, emoties en gefixeerde cognities. Volgens hen worden er dan zaken die toch wel degelijk en heel duidelijk anders en onderscheiden zijn, door de psychiater door elkaar gehaald, namelijk de geest en het lichaam. Hoe is dit mogelijk, gezien het dagelijks leven waarin zij zo goed als één functioneren?

Maar als het dagelijks leven echt zo is, en dat is zo, hoe kan het dan dat er veelal zo’n ander denkbeeld op na gehouden wordt? Iemand moet ergens een keer de mensen wat wijs gemaakt hebben; namelijk dat het toch heel anders zit met die geest-lichaam eenheid dan je zo op het eerste gezicht zou denken.

Wie is hier verantwoordelijk voor? Het is niet onwaarschijnlijk dat deze gedachten uit de filosofie komen en wel van één van de groten der filosofen: je raadt het al: René Descartes met zijn vermaledijde Cartesiaanse theater. Hij heeft de geest wellicht op een mooie, maar toch ook vreselijke manier van het lichaam getrokken. Descartes heeft geen enkel respect gehad voor die schone eenheid waarmee wij ons leven doorgaan.

Ik heb zelf elke dag last van hem en zijn ideeën, waar mijn patiënten, zonder hem te kennen overigens, nog steeds enorm in geloven. Zelfs de mensen die momenteel het brein onderzoeken doen er gehoord de vorige spreker nog aan mee! Vergeleken met de invloed van Descartes is van Lommel met zijn boekje kinderspel. Het onderscheid dat hij gemaakt heeft, zit enorm diep geworteld in de samenleving en mijn inziens moeten we, voordat mensen zichzelf iets beter kunnen gaan begrijpen, van dat idee af.

Nu kom ik dan ook eindelijk aan mijn verzoek aan de filosofen toe: hoe gaan de filosofen dat wat één van hun illustere voorgangers gewild of ongewild, bedoeld of niet, veroorzaakt heeft, goedmaken? Hoe gaan zij de gesprekken die ik met mijn patiënten heb vergemakkelijken? Het lijkt me toch duidelijk dat dat hun taak is. Ik eis eigenlijk gewoon een publiek excuus voor de verwarring die gezaaid is.

Ik heb wel een voorstel: een postbus 51 TV-spot met in de hoofdrol een knappe, beeldschone vrouw met een welgevormde boezem en een goddelijke benenpartij, die sensueel door het beeld paradeert, waardoor de geest en het lichaam van in dit geval de mannelijke kijker zich wel in vuur en vlam en in eenheid verbonden moeten voelen. En als deze vrouw voorbij loopt, moet een lage mysterieuze stem op de achtergrond, want mysterie willen mensen toch, het volgende zeggen: “We hebben het mis gehad: geest en lichaam zijn één, excuus voor de verwarring, met vriendelijke groet de filosofen van Nederland!”. Voor de vrouwelijke kijkers onder ons zal iets anders verzonnen moeten worden, maar dingen bedenken, daar zijn filosofen goed in en dat laat ik dan ook graag aan hen over.

Bedankt voor uw aandacht.