Filosofisch Café Nijmegen

Jonge Ziel

door Lars Cornelissen
dinsdag 1 mei

Toen ik gevraagd werd om een column voor te dragen over dementie of ouderdom, was ik enigszins verrast. Ziet u, ik ben altijd overal de jongste geweest. Wat kan iemand die het vijf guldenbriefje niet eens bewust heeft meegemaakt nou vertellen over ouderdom?, zo vroeg ik mij af.

Evenmin ben ik ooit direct in aanraking geweest met dementie. Wel is het zo dat mijn moeder altijd gezegd heeft dat ik een ‘oude ziel’ heb. Wat dat precies betekent en welke metafysische aannames vereist zijn om die opmerking ter harte te nemen zal ik nu maar even achterwege laten. Evenmin voel ik de behoefte om te gaan praten over de ziel, want met vandaag is de maand April – die, zoals u weet, in het teken stond van de ziel – immers afgelopen. Maar, zo is mijn gedachte, iemand met een ‘oude ziel’ heeft vast wel iets zinnigs te zeggen over ouderdom, toch?

Om toch een mooi vertoog te houden over dementie, zal ik uit gebrek aan eigen ervaring inspiratie putten uit ervaringen van mijn zus, die wel behoorlijk veel in aanraking is geweest met dementerenden. Dat is ook niet zo verassend – zij werkt namelijk parttime in een verzorgingstehuis, op de afdeling voor dementerende patiënten.

Eén van haar favoriete anekdotes betreft meneer De Graaf, een dementerende man op de afdeling die de vraag “hoeveel kinderen heeft u” steevast beantwoordt met een enthousiaste “HONDERD!”. Als hierop door wordt gevraagd weet hij verder niets te zeggen over zijn honderd kinderen, maar mijn zus is altijd bijzonder gecharmeerd van zijn energie en zij meent dan ook altijd een bepaalde trots te ontdekken wanneer hij het onvoorstelbaar grote getal weer eens laat vallen. Zou hij misschien trots zijn op zijn honderd vermeende kinderen? Of misschien is hij trots dat hij zichzelf zo bijzonder goed heeft vermenigvuldigd.

Wanneer het in de media of in de publieke opinie weer eens over dementie gaat, moet ik altijd onherroepelijk aan deze man denken. Ik vind dan altijd dat zijn trots en enthousiasme het bewijs vormen dat dementerende mensen op een bepaalde, obscure manier toch zijn gezegend. “Ignorance is bliss,” wordt wel eens gezegd, en misschien verdiende deze goede man wel wat bliss in zijn leven. Wellicht was hij voordat hij dementerend werd wel een stijve jurist, die niet van het leven wist te genieten. Of misschien is zijn leven een aaneenschakeling van misère geweest en was hij toe aan een periode van onbezonnenheid. Zoals Aristophanes één van zijn karakters laat zeggen in zijn komedie De wolken: “ouderen beleven een tweede kindertijd”. Misschien is dit niet helemaal waar bij alle ouderen, maar voor dementerenden lijkt het niet vergezocht om ze kinderlijk te noemen. En zoals meneer De Graaf wel aantoont, moet kinderlijkheid in dit geval vooral geassocieerd worden met onbezonnenheid en energie.

Ik wil u uitnodigen voor een gedachte-experiment. In dit experiment gaan we terug naar het jaar 1975. Leeft u zich even samen met mij in: de Rode Khmer heeft net Phnom-Penh ingenomen, Pink Floyd’s album “Wish You Were Here” is zojuist uitgekomen en aan het eind van dit jaar heeft de treinkaping bij Wijster plaatsgevonden. Minder op de voorgrond speelt echter het feit dat dementie nog niet als ziekte gezien wordt. Het jaar erna, 1976, zou namelijk pas het jaar zijn waarin neurologen ontdekken dat dementie bij vijfenzestigplussers veroorzaakt wordt door een neurologische afwijking. In 1975 en daarvoor wordt dementie daarom nog beschouwd als een vrij natuurlijk onderdeel van ouderdom.

Maar als we dementie niet zien als een ziekte, maar als een onderdeel van het ouder worden, dan kijken we er ook op een fundamenteel andere wijze naar. Het aanwijzen van positieve kanten van een ziekte is obsceen – een ziekte is per definitie iets onnatuurlijks, iets dat moet worden genezen of, zoals het spreekwoord doet geloven, voorkomen.

Wat nu als we anno 2012 proberen een deel van het beeld van dementie uit 1975 en daarvoor terug te krijgen? Wat als we een mespuntje aan positief denken mengen met het beeld dat tegenwoordig de boventoon voert? Tegenwoordig wordt dementie namelijk vooral geassocieerd met afhankelijkheid en onmacht. Patiënten die om euthanasie vragen zeggen dat ze koste wat het kost niet bedlegerig of afhankelijk willen zijn. Maar zijn ‘onmachtig’ en ‘afhankelijk’ werkelijk de enige woorden die we hebben om dementerenden te omschrijven? Is dat een passende omschrijving van meneer De Graaf over wie ik vertelde?

Mocht u op dit punt vermoeden dat ik pertinent tegen euthanasie bij dementerenden ben, dan vrees ik dat ik u op het verkeerde been heb gezet. Ik probeer niet te zeggen dat we met zijn allen dementie weer moeten gaan zien als een doodgewoon onderdeel van ouderdom, of dat we met zijn allen dementie moeten omarmen als een nieuwe, frisse start van ons leven. Evenmin probeer ik te zeggen dat dementie niet heel vervelend kan zijn.
Wat ik probeer te zeggen is dat het schrikbeeld van dementie dat heden ten dage lijkt te bestaan geen ruimte laat voor een positieve benadering ervan. Het voorbeeld van meneer De Graaf is voor mij een bewijs dat dementie niet zonder voordelen hoeft te zijn. Als dementerenden gelukkig zijn met hun leven, en als we hun toestand niet alleen associëren met afhankelijkheid en onmacht maar ook met jeugdigheid en trots, kunnen we het misschien makkelijker maken voor beginnend dementerenden – en hun geliefden – om hun lot te accepteren.

Het is voor mijzelf een beetje vroeg om me zorgen te maken over dementie. Maar ik vind het wel leuk om er een beetje over te fantaseren. Misschien zweef ik over 60 jaar wel in een ruimtecapsule voor dementerende ouderen (want die wil men dan natuurlijk niet meer op de reeds overbevolkte aarde hebben) en dan stelt men mij een vraag als “wat was uw beroep?” Ik antwoord dan vol trots: “AARDAPPEL!” en dan wordt er smakelijk om mij gelachen. “Wat een jonge ziel heeft die toch,” zegt men dan vertederd.