Filosofisch Café Nijmegen

If you ever become a rock star, do not smash the guitar

door Dennis Gaens
dinsdag 2 oktober 2012

My mother told me,
“If you ever become a rock star
do not smash the guitar.
There are too many poor kids out there
who have nothin’
and they see that shit
when all they wanna do is play that thing.
Boy
you better let’m play.

Buddy Wakefield, ‘Guitar Repair Woman’, uit: Live for a living, Ergens in Amerika: Write Bloody Publishing, 2005, geen idee welke pagina.

Tijdens mijn intro filosofie stond ik met een van mijn mentoren te wachten in de rij voor de Diogenes. Ik weet niet meer precies hoe het ging, maar hij raakte in discussie met een corpsbal die mentor was van een andere studie. Die vroeg aan ons of we ons betere mensen voelden omdat we filosofie studeerden. Mijn mentor zei: “Niet omdat ik filosfie studeer, maar ik voel me wel beter.”

Daar kon ik toen nog om lachen.

 

Meteen in mijn eerste jaar kreeg ik de kans om een essay te schrijven voor de bundel De waarheid waarover ik niets weet te vertellen. Over poëzie en waarheid. Ik schreef over een gedicht van Mustafa Stitou. Toen ik hem tijdens de finale van een schrijfwedstrijd tegenkwam, besloot ik hem na lang aarzelen over het essay te vertellen. Hij zei dat hij het gelezen had en dat hij het een goed essay vond. Dat ik wel wat goede punten had. Toen nam hij een trek van zijn sigaret, ademde rustig de rook uit en zei: “Maar je moet wel stoppen met filosofie, he?”

 

In plaats daarvan rondde ik mijn bachelor (niet geheel in de traditie van de filosofiestudenten) binnen drie jaar af. Ik schreef mijn eindwerkstuk over Kierkegaard en specifiek over de vraag of diens Vrees en beven een legitimatie voor het terrorisme vormde. Terwijl ik eigenlijk vooral aan mijn begeleider wilde bewijzen dat Kierkegaard een romanticus was. Tussen de regels.

Ik koos voor een master redacteur/editor. Ik had drie jaar filosofie gestudeerd. De filosofie was in die drie jaar benauwend geworden, klein misschien wel.

 

Toen ik een paar maanden geleden gevraagd werd om deze column hier uit te spreken, was ik bezig in een boek van Alan Watts. Daarin schrijft hij het volgende:

The fad for making humanistic studies “scientific” has gone to such wild extremes that even Suzuki is being accused of being a popularizer instead of a serious scholar–presumably because he is a little unsystematic about footnotes and covers a vast area instead of confining himself with rigor to a single problem, e.g. “An Analysis of Some Illegible and Archaic Character-forms in the Tun-Huang Manuscript of the Sutra of the Sixth Patriarch.”

Ik dacht aan een studiegenoot die met filosofie gestopt was om in een boeddhistisch klooster te gaan wonen. Hij zei dat hij de wereld wel wilde veranderen, maar het idee had dat dat niet kon voordat hij zelf in orde was.

 

Van de boeken die ik las tijdens mijn studie zijn er twee me het meest bijgebleven. Een daarvan is een verzameling van dagboeken van Wittgenstein. Daarin schrijft hij dat het voor hem tot zijn 22e niet mogelijk was in een vrijstaand bed te slapen en zelfs dan alleen met zijn gezicht naar de muur. Dat hij geen idee heeft hoe hij van die angst is afgekomen. Als ik aan Wittgenstein denk, denk ik veel vaker aan dat citaat dan aan ‘Wovon man nicht sprechen kann, darüber muss man schweigen.’

Het andere boek dat bepalend was voor mij in die tijd was On the road van Jack Kerouac. Daarin schrijft hij:

The only people for me are the mad ones, the ones who are mad to live, mad to talk, mad to be saved, desirous of everything at the same time, the ones that never yawn or say a commonplace thing, but burn, burn, burn like fabulous yellow roman candles exploding like spiders across the stars and in the middle you see the blue centerlight pop and everybody goes “Awww!”

Hij had daar gerust ‘mad to think’ aan kunnen toevoegen.

 

Toen ik onlangs verhuisde kwam ik een doos met oude boeken tegen. Het boek met dagboekfragmenten van Wittgenstein zat erin. Ik vond ook een aantal oude nummers van SPLIJT|STOF. Toen ik er doorheen bladerde, viel mijn oog op de titel van een promotie:

Genie vs. God. Religie en Christendom in het vroege werk van Friedrich Nietszsche in de context van zijn kosmodicee.

Goed begin, genie vs. god. De verklarende titel die daarop volgt – zonder iemand hier voor het hoofd te willen stoten – met zijn ‘in het vroege werk van’ en ‘in de context van’, die dubbele nuance, deed me toch een beetje denken aan het citaat van Alan Watts, dat hij aanvult met:

There is a proper and honorable place in scholarship for the meticulous drudge, but when he is on top instead of on tap his dangerous envy of real intelligence drives all creative scholars from the field.

We zijn voorzichtig geworden. Bang misschien.

 

In de eerste opzet van deze avond zou het thema “De toekomst van de filosofie” zijn. Ergens halverwege tussen toen en nu veranderde dat in “Moet het volk wel denken?”

Ik denk dat het antwoord op die vraag besloten ligt in het oorpronkelijke thema. Ik denk dat het tijd is dat we weer eens in een vrijstaand bed gaan slapen. Niet met het gezicht naar de muur, maar naar om het even wat. Het raam zou een goede optie zijn. Dat we misschien niet spreken waarover men alleen kan zwijgen, maar er wel over nadenken. Tussen de regels. Dat we weer mad to think worden. Dat we onszelf eerst op orde krijgen en dan de wereld veranderen. Dat we ons beter voelen. Niet beter dan anderen, maar vooral: gewoon beter. Dat we niet stoppen met filosofie, maar er weer eens mee beginnen. Dat we die gitaar oppakken en spelen.

Ik wil graag eindigen waar ik ben begonnen, met een citaat van Buddy Wakefield:

Stop inviting walls into wide open spaces.