Filosofisch Café Nijmegen

Vrijheid: een persoonlijk experiment

Door Femke Kok

Dinsdag 5 februari 2013

Toen mijn begeleider hoorde dat ik een column over vrijheid zou uitspreken riep hij uit: “als je dan maar geen lelijke dingen over mij zegt”. En toen, tegen een collega: “Ze geniet bijzonder veel vrijheid onder mijn supervisie hoor. Ze is vrij om alles te doen wat ik haar opdraag”. Ineens vroeg ik me af of ik eigenlijk wel ooit vrijer ben geweest dan onder het juk van professor Bakker.

Ik zal u bekennen waarom: ik ben degene die als er bordje staat met de tekst ‘niet over het gras lopen’ – als enige – niet over het gras loopt. Sterker nog, als het bordje er niet staat loop ik ook niet over het gras, want de afwezigheid van een dergelijk bordje is vast een vergissing. En als een van mijn kinderen klem zit boven in een speeltoestel aarzel ik om hem te gaan redden, omdat op het speeltoestel staat geschreven: ‘niet toegankelijk voor kinderen ouder dan zes’.

Ben ik dan echt zo onvrij? Ik bedacht een experiment in persoonlijke vrijheid: hoe vrij zou ik durven zijn in deze column? Het idee is om vanavond zoveel mogelijk gênante dingen over mezelf te onthullen en te kijken hoe ver ik kan gaan zonder dat u allemaal met samengeknepen billen in de zaal zit. (Maar bij die laatste toevoeging gaat het natuurlijk al mis met mijn vrijheid, want waarom zou ik mij iets gelegen laten liggen aan uw samengeknepen billen?)

Ik zou u bijvoorbeeld iets kunnen vertellen over mijn eerste tongzoen. Ik was tien. Hij was elf. Hij heette Wouter en was van top tot teen bedekt met sproeten. Ik was smoorverliefd. Dat heette toen: ‘ik ben op jou’. Hij was ook op mij. Althans, dat dacht ik. Later hoorde ik dat hij bedreigd was door twee meisjes uit de klas, die het nogal sneu vonden dat ik nog nooit een vriendje had gehad. Met mijn eerste tongzoen maakte ik mij dus schuldig aan aanranding.Ik zou u ook kunnen vertellen dat ik een angststoornis heb en dat ik voor gelegenheden als deze steevast een jaar van mijn leven moet inleveren, maar dat ik er inmiddels best goed mee kan leven. Hooguit een beetje korter.

Ik zou u dat alles kunnen vertellen, als er niet een stemmetje in mijn hoofd protesteerde: “die mensen zitten niet te wachten op dit soort onthullingen. Gooi je goede naam niet zo te grabbel.Zo kun je je carrière wel vergeten natuurlijk”.“Anderzijds”, zegt het stemmetje,“is het niet juist moedig om je kwetsbaarheden toe te geven? Bovendien: als u een dag lang psychologische tests invult blijkt u allemaal een stoornis te hebben uit de DSM. U heeft er alleen geen last van”.

En daar gaat het alweer mis met mijn vrijheid. De organisatie van deze avond heeft mij geen grenzen opgelegd. Het moet gaan over vrijheid – dat is de enige beperking. (Een interessante paradox trouwens). Maar de onvrijheid zit in mijn hoofd. Daar hebben zich regels genesteld zoals ‘doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg’. En: ‘je mag geen steen des aanstoots zijn’. En ‘je mag je niet kwetsbaar tonen’. Ja, ik toon u graag mijn kwetsbaarheid, maar alleen onder het mom van moed en als ik er u ook een kan toedichten. Gelijk oversteken graag.

Maar hoe ben ik eigenlijk zo onvrij geworden?

Zoals u weet heeft elke afwijking– op genetische factoren na – slechts een oorzaak: de moeder. Zo ook de mijne. Als tiener had ik in de ogen van anderen buitensporig veel vrijheid. Ging ik op stap, dan werd er gepocht over het tijdstip waarop iedereen thuis moest zijn. De een om twaalf uur, de ander om een uur of twee uur, en een enkeling had half drie uit de onderhandelingen weten te slepen. Ik hield wijselijk mijn mond tot iemand vroeg: ‘en jij?’, en dan antwoordde ik achteloos: ‘ik mag het zelf weten’. Jaloerse blikken. Wat een vrijheid…

Maar ik voelde me helemaal niet vrij. Er zat namelijk een addertje onder het gras. Als ik de deur uitging, en vroeg: ‘hoe laat moet ik thuis zijn?’, dan zei mijn vader: “zie maar”. En dan was het even stil, en dan riep mijn moeder vanuit de huiskamer: “maar niet te gek!”Mijn vrienden moesten weliswaar om twaalf uur thuis zijn, maar tot die tijd genoten ze in mijn ogen volledige vrijheid. Terwijl ik een gevangene was van dat ene zinnetje ‘niet te gek’. Negen uur. Dat is toch niet zo gek? Anderzijds, mijn moeder vind het hele concept café eigenlijk al best wel gek. Tien uur: waarschijnlijk begint ze nu ongerust te worden. Elf uur: ze wil eigenlijk naar bed, maar ze neemt nog een kopje warme melk, in de hoop dat ik zo thuis ben. Twaalf uur. Twaalf uur? Dat haalde ik nooit. Voor die tijd was ik tot grote verbazing van de anderen allang huiswaarts gekeerd. ‘Beetje buikpijn’ mompelde ik dan, en glipte het café uit.

Ik lees elke dag een spreuk van Jules Deelder, die op het prikbord van mijn kantoorgenote hangt: ‘Binnen de perken zijn de mogelijkheden net zo onbeperkt als daarbuiten’. Nou, voor een gewetensvolle neuroot als ik zijn ze binnen de perken echt veel onbeperkter. Laat mij een vis zijn in een vissenkom en ik zwem vol enthousiasme rondjes. Geef me de zee en ik zwem heel voorzichtig een beetje heen en weer, alert op bordjes ‘hier niet zwemmen’.

Natuurlijk werd ik op een dag groot. Om te weten wat er als volwassen vrouw van me verwacht werd las ik kranten. En in de krant las ik over de vergrijzing. Ik las dat vooral hoogopgeleide vrouwen te weinig kinderen krijgen. Te weinig en te laat, wat dan weer ten koste gaat van het IQ van het kind. Geen probleem, zo gepiept, voor mijn dertigste had ik twee kinderen.

Maar toen begonnen de problemen. Ik zal u niet lastig vallen met het kleine persoonlijke vrijheidsprobleempje ‘borstvoeding’. Hoewel, in het licht van mijn persoonlijk experiment doe ik dat toch maar.Ik was natuurlijk vrij om mijn kinderen borstvoeding te onthouden. De voeding die speciaal voor hun gemaakt werd door mijn intelligent ontworpen lichaam, en die hen zou beschermen tegen eczeem, overgevoeligheid, hechtingsproblemen en depressie. Maar als ik melkpoeder wenste te kopen kreeg ik aan de kassa steevast te horen dat ik geen recht had op babyzegels, omdat de overheid het stimuleren van kunstmatige zuigelingenvoeding verbiedt. En dat vertelde de kassière mij iedere week. U begrijpt dat mijn moederhart iedere week bloedde. En de enige reden dat ik niet bezweek onder de druk van de borstvoedingmaffia was dat het edel zog domweg niet stromen wilde.

Ik bleef fulltime werken, omdat ik de investering die de maatschappij in mij heeft gedaan wilde terugbetalen, aangespoord door stemmen in de krant. Tegelijkertijd werd ik om de oren geslagen met onderzoeken die zeiden dat ik thuis moest blijven bij mijn kinderen.Alleen dan zouden zij uitgroeien tot evenwichtige, gelukkige volwassenen. Ik kon dus kiezen: word ik een slechte burger of een slechte moeder?

Ik probeerde opvang van mijn kinderen te regelen zonder een beroep te doen op overheidssubsidie. Natuurlijk stimuleert de overheid arbeidsparticipatie van vrouwen, omdat wij net als mannen geacht worden financieel onafhankelijk te zijn en belasting te betalen. Maar in 2010 werd behoorlijk gemorreld aan de kinderopvangsubsidie. André Rouvoet, de toenmalige minister voor Jeugd en Gezin,zei dat de overheid niet wilde betalen voor wat hij noemde de ‘particuliere ambities van tweeverdieners’. Ik begon nu ook mijn eigen motieven in twijfel te trekken. Werk ik om mijn eigen rok op te kunnen houden, of om mijn particuliere verlangen naar zelfontplooiing te bevredigen?

En dat waren niet mijn enige kopzorgen.

Want moet ik tevreden zijn met een luizenbaan (en het boe-geroep van Heleen Mees trotseren) of een top-positie ambiëren? En kies ik voor mijn luizenbaan, wie wordt er dan luizenmoeder? Doe ik gek, of toch maar gewoon? Leg ik mezelf de lat, of leg ik die lat juist niet te hoog? Moet ik er altijd zijn voor mijn kinderen, of voor professor Bakker? Zal ik idealen nemen, of pragmatisme prediken? Wil ik verbonden zijn, of onafhankelijk? Kies ik geld, of werk waarin ik voldoening vind? Volg ik mijn hart of mijn hoofd? Laat ik het achterste van mijn tong zien of laat ik me niet kennen? Word ik assertiever of juist zen?

Tot zover een fractie van de vragen die u zou aantreffen mocht ik u een ongecensureerde blik gunnen in mijn hoofd. Is dit nu het dertigersdilemma? Een quarter-life crisis?

Als ik Rutger Claassen goed begrepen heb is er een toverformule voor mijn gebrek aan vrijheid. En die toverformule heet autonomie.Te oordelen of ik wel of niet autonoom ben, is echter niet aan mij. Ik voldoe in elk geval aan een voorwaarde voor autonomie: ik heb voldoende opties om uit te kiezen. Toch vrees ik Rutger Claassens oordeel. En mijn persoonlijke vrijheidsexperiment vandaag? Is het geslaagd? Zijn uw billen nog een beetje ontspannen? Uw antwoord zegt trouwens meer over uw vrijheid dan over de mijne. Met de mijne is het niet zo goed gesteld: ik sta hiervoor u een column uit te spreken, zoals van me verwacht wordt. Had ik me echt vrij gevoeld, dan zou ik wel wat leukers hebben geweten…