Filosofisch Café Nijmegen

Normaal

Door Marjolein Visser

Dinsdag 5 november 2013

Afgezien van het eerste halfjaar dat Herbert de Vries niet meer met mij, maar met Imkje Schuurman wou springtouwen, was de naarste periode gedurende mijn basisschooltijd de tijd dat ik in mijn bed plaste omdat ik bang was ‘s nachts. Ik had per ongeluk de oorlogsfilm ´Schindler´s List´ gezien en de twee maanden erna had ik erg veel last van bedplassen. Niet het bedplassen zelf was zo vervelend (je hebt midden in de nacht ineens een gezellig praatmoment, je bed ruikt telkens zo lekker naar vers wasmiddel), nee: het was vervelend omdat bedplassen als je zes bent niet meer kan. Ik hoorde het niet te doen. Telkens als ik het deed schaamde ik me dan ook enorm, en mijn ouders ook trouwens. Die periode merkte ik het op: plas in het lichaam is normaal, maar eruit is het vies. Urine op straat of in je bed is niet waar het hoort. Het is niet wat we gewend zijn. Het is net niets. En daarom moet het weg. 
Limineel of ambigu noemen antropologen dit soort tussencategorieën. Ze concluderen over niezen zonder zakdoek, mannen in jurken en andere bijzondere mensen in doordachte uitspraken als ‘What is unclear is unclean’. Tussencategorieën zijn taboe. We willen geen ambivalentie. We zoeken duidelijkheid. Scheidslijnen. Grenzen. 
Het krijgen van beschutting in de kudde.
De noodzaak ergens bij te horen.
De norm om normaal te zijn.

‘Je tante Els is niet helemaal normaal’ zei mijn moeder terwijl ze haar lippen stiftte. Het was precies een maand nu dat ik in mijn bed plaste en ik had zojuist beloofd om dat nooit meer te doen. ‘Omdat ze een beetje in de war was’, legde mijn moeder uit, ‘is ze een tijdje in een huis voor gekke mensen geweest. Gelukkig mag ze met Kerst even vrij.’
Het was zondag en we reden in de auto naar het huis van opa en oma voor een uitgebreide lunch op 25 december. Van tevoren fluisterde mijn moeder nog even dat ik op mijn woorden moest letten.

Ik dacht aan mijn tante Els. Tante Els was één van de weinige volwassenen die soms lachte om mijn grapjes. Zeker als ik met haar alleen was, was het lachen geblazen. Zij was mijn favoriete familielid.

We zaten allemaal al in het huis van opa en oma toen tante Els gebracht werd. Iedereen stopte met praten. Daar stapte ze de auto uit. Mijn vader en moeder gaf ze een hand. Ze was veel stiller dan anders. ‘Voel je je alweer wat beter?’ zei mijn vader en klopte mijn tante op haar schouder terwijl hij zich naar mijn opa wendde. Mijn tante knikte, naar niemand.
Iedereen begon te praten. Mijn tante stond er stilletjes bij.
Ze praatte en lachte en praatte en lachte. Maar nooit tegelijkertijd.
Terwijl iedereen samen ging drinken bleef tante Els alleen staan bij de flessen wijn en sap. Twijfelend. Ik liep naar haar toe en vroeg of ze iets wilde drinken. ‘Je kunt best direct uit de fles drinken, dat is lekkerder’ raadde ik aan. ‘Dank je’ zei ze. ‘Maar het is misschien wat raar als ik dat doe.’ ‘Thuis drinken wij allemaal stiekem uit de fles maar verbieden het ook allemaal de ander.’ legde ik uit. Mijn tante keek naar de fles en liet haar handen op het aanrecht rusten. Ze zuchtte. Ik dacht erover na hoe ik het zeggen moest. ‘Mijn moeder zei dat je in de war was enzo’ zei ik. Ze keek me aan. Toen knikte ze zonder te lachen. ‘Ik ben het ook vaak.’ zei ik en leunde op het aanrecht. ‘Vooral met rekenen.’ 

Mijn tante en ik gingen aan tafel. De hele familie zat ons al op te wachten. Omdat wij beiden vergaten het zelf te doen, legde mijn moeder bij ons beiden een servet op de schoot. En mijn oma gebaarde dat ik stil moest zijn. ´We moeten jou nog een beetje opvoeden´ zei ze tegen me, terwijl ze mijn moeder aankeek. Toen begon mijn vader met bidden. ‘Vader die in de Hemelen zijd.’ zei hij luid. Mijn vader sprak met een hele lage stem. Dat deed hij altijd met bidden. ‘Hier zijn we dan, samen met Kerst. Zoals het hoort.’
Stiekem keek ik tussen mijn vingers door naar iedereen aan tafel. Ik vond het altijd heel gezellig om naar de mensen te kijken tijdens het bidden. Links van me zat mijn oom. Hij zat er met zijn derde vrouw. ‘Ik kan ze niet zo lang uitstaan’ had hij weleens grappend gezegd. Zijn derde vrouw keek een beetje verbaasd, zelfs met haar ogen dicht. Dat kwam omdat ze een facelift had gehad, had mijn moeder mij eens uitgelegd. Mijn moeder zat recht tegenover me. Ze had een laag huidskleurige make up op, die haar huidskleur niet had. Mijn moeder ging nooit zonder make up de deur uit. Mijn opa zat met gebogen hoofd en was verzonken in het gebed. Hij had zijn sigaar even aan de kant gelegd. Hij rookte wel tien sigaren per dag. Hij kon niet zonder. Mijn vader ging door met bidden. ‘Ben met alle armen, zwakken. En help Anne dat ze niet meer in haar bed plast’ zei hij. Mijn moeder deed even haar ogen open en knikte gebiedend naar mij dat ik mijn ogen weer dicht moest doen. ‘En ben met Els en de mensen die bij haar zijn. Dat U ze helpt Heer.’ Ik keek de tafel weer rond. Iedereen had zijn ogen dicht. Alleen tante Els niet. Ze keek naar buiten.

Tijdens het eten praatte iedereen honderduit. Terwijl ze kletsten over het weer en de hobby’s van de nieuwe vrouw van mijn oom, zei af en toe iemand dat ik mijn ellebogen van het tafelkleed af moest halen of dat mijn vork links moest. Ook maakten ze alweer opmerkingen over mijn bedplasprobleem terwijl ze schudden met hun hoofd. Ik keek naar tante Els. ‘Ik ga straks bij haar zitten’ dacht ik. ‘Die doet tenminste normaal.’