Filosofisch Café Nijmegen

Filosofie, Architectuur en Handelingsmogelijkheden

Dat moesten meer filosofen doen: een hardnekkige bestaande praktijk confronteren met een haarscherpe analyse en met een hard, gematerialiseerd alternatief.

Ons vele zitten, Dames en Heren, elke dag maar weer: achter bureau, pc, of op een bankje in het park is zo’n hardnekkige praktijk. Erik Rietveld confronteert dat ongezonde zitten met een keiharde structuur voor een nieuwe praktijk. Affordances in vivo. Zitten bij het uitvoeren van allerlei werkzaamheden is niet langer meer vanzelfsprekend in dit ontwerp van een kantoor nieuwe stijl. Integendeel, in het project The End of Sitting, waarvan u de afbeeldingen zag (hieronder is er nog eentje), is eind 2014 in de tentoonstellingsruimte van de Looiersgracht 60 het zitten van een alternatief voorzien dat verre van abstract is. Het is niet louter analyse. Hier hebben de architect en de filosoof voorbeeldig samengewerkt. Dit is wis en waarachtig interdisciplinair. Het sluit perfect aan bij wat we zojuist hoorden over de publiek ruimte.

The End of Sitting

Wat steekt daar nu aan filosofie achter?  Wat voor filosofie maakt zo’n samenwerking mogelijk? Of met meer impact geformuleerd: wat voor filosoof moet je zijn?

Laat ik één misverstand meteen uit de weg ruimen: we wijken voor die filosofie niet uit naar onze hersenen zoals een andere Erik, Erik Scherder, dat wil.  Oké, onze Erik hier vanavond is ook niet vies van hersenen. Hij werkt niet voor niets bij Damiaan Denys in het AMC aan de verheldering van wat er allemaal speelt rond deep brain stimulation. Het gaat met name om patiënten met een Obsessief Compulsief Syndroom. Maar ook de lijders aan Parkinson worden op die manier geholpen. Wat doet Erik daarbij – en hier zien we een totaal andere hersenwetenschapper aan het woord? Hij gaat na wat er in de leefwereld van mensen gebeurt die net aan den lijve ervaren hebben dat ze hun brein zijn: je geeft ze een soort hersenpacemaker en een aantal zijn hun sidderende handen de baas en weten hun dwanghandelingen in te tomen. Maar een aantal ook niet en daar komt Eriks onderzoek in beeld. Dat is heel wat anders dan wat in DWDD wordt onderwezen. Daar wordt helaas niet zo’n adequaat beeld van ’s mensens hersenen uitgevent.

Immers, die andere Erik verkondigde  in dat programma de boodschap van zijn boek nog eens luid en duidelijk: “Laat u hersenen niet zitten”. Daarmee maakt hij zich tot onderdeel van wat ik maar even de “brein maffia” noem. Onder u zijn er vast die aanwezig zijn geweest bij hoe Daniël Dennett begin vorige maand korte metten maakte met de denkbeelden van Victor Lamme en Dick Swaab van resp. De boeken De vrije wil bestaat niet en Wij zijn ons brein. Kern van de filering: zonder hersens gaat het niet, maar als we met meer zijn (hersens maar vooral ook lichamen in meervoud dus) dan zijn we niet langer ons brein, maar veeleer handige gebruikers  van waartoe belichaamde breinen ons in staat stellen, namelijk, om in een gemeenschap onze eigen koers bepalen. Daar gaat het om.

Het was een van mijn stokpaardjes bij het onderwijs in de geschiedenis van de psychologie dat ik jaren gaf: in het bijzonder voor gedragswetenschappen geldt de belangrijke waarschuwing dat mensen gaan staan naar wat er over hen beweerd wordt. Ook als dat niet houdbaar is. Vaak is dan het kwaad al geschiedt. “Wij zijn ons brein” en “Laat je brein niet zitten” dragen de boodschap uit dat alle gedrag een kwestie is van het  brein en de juiste stimulering ervan. De fout is hier: brein in enkelvoud en reductionisme van een slecht soort. Het tegendeel van interdisciplinair werken.

Dan is het goed dat er een filosoof is die aansluit bij het beste dat de gedragswetenschap te bieden heeft. In tijden van de ‘verStapeling’ van deze wetenschap is dat een opsteker. Wat mag dat ‘beste’ dan wel zijn?

Er zijn mensen die vinden dat als een psycholoog, pedagoog, socioloog, antropoloog, sociaal historicus en econoom samenwerken er sprake is van interdisciplinariteit. Dat is een misvatting. Kijk je naar hoe deze wetenschappers te werk gaan dan zie je dat ze allemaal gebruik maken van vergelijkbare onderzoekstechnieken en conceptueel een heleboel gemeen hebben. Interdisciplinariteit vereist meer dan dat.

Allereerst natuurlijk samenwerking waarbij men (1) echt leert van elkaars conceptualiseringen en werkwijze. Maar ook samenwerking waarin iets tot stand komt: (2) een inzicht dat ertoe doet of (3) een geheel nieuw materieel object dat op zo’n inzicht is gebaseerd. In het werk van Erik komen architect, breinonderzoeker, cognitiewetenschapper en kenner van de wereld zoals die zich aan ons aanbiedt  samen. Maar wat erg mooi is: de dingen gaan een woordje meespreken in dat prachtige idee van affordances, handelingsmogelijkheden.

Breinen en lichamen – laten we ‘zelven’ en personen even onder deze noemer brengen – leven in een wereld waar de dingen in de breedst mogelijke zin van het woord samenhangen in de breeds mogelijke zin van het woord. Luister naar hoe Wilfrid Sellars de taak van de filosofie al in 1960 samenvatte:

“The aim of philosophy, abstractly formulated, is to understand how things in the broadest possible sense of the term hang together in the broadest possible sense of the term. Under 'things in the broadest possible sense' I include such radically different items as not only 'cabbages and kings', but numbers and duties, possibilities and finger snaps, aesthetic experience and death. To achieve success in philosophy would be, to use a contemporary turn of phrase, to 'know one's way around' with respect to all these things, not in that unreflective way in which the centipede of the story knew its way around before it faced the question, 'how do I walk?', but in that reflective way which means that no intellectual holds are barred.”

Natuurlijk kende Sellars in 1960 het werk van Erik Rietveld niet. Je merkt dat het reflectie is wat de klok slaat en je ziet ook hoe ‘dingen’ hier nog heel algemeen worden omschreven. Had hij Unreflective Action kunnen lezen dan zou in de laaste zin gestaan hebben: “….not only in that unreflective way…..but also in that reflective way”.  En hij zou de dingen niet tot leven hebben laten komen in een potpourri die gaat van een verwijzing naar Lewis Carrolls Alice in Wonderland (“cabbages and kings”) tot waar je het meest ‘ding’ wordt, namelijk in de dood, maar hij zou affordances  tot leven hebben gewekt om zo de gezochte samenhang toe te lichten.

Sellars pleit voor een stereoscopische visie in de filosofie; eentje die tegelijkertijd het oog houdt op wat hij noemt “the manifest image of man” maar ook op wat hij daar tegenover zet: “the scientific image of man”. Uiteindelijk komt wetenschap – kort door de bocht gezegd – neer op het achterhalen van de latente, door de wetenschappen te bestuderen structuur achter de manifeste, door ons allen geleefde structuur. De echte vragen komen uit het manifeste beeld van de mens. Dat beeld is onmisbaar. Maar even onmisbaar is de praktijk van goed  interdisciplinair wetenschappelijk onderzoek daaraan. Aan deze universele wetenschappelijke praktijk – de enige en onvervalste-  hebben alle filosofen, ik zeg alle, ook degenen die populaire werken schrijven,  zich evenzeer te houden als de vakwetenschappers. Maar wel zonder dat, zoals Sellars waarschuwt, ook maar tegen één enkel aldus verkregen inzicht, obstructie wordt gepleegd.

Dank voor uw aandacht.

Paul Voestermans