Filosofisch Café Nijmegen

Populisme – door Piet Wiersma

We schrijven 15 maart 2017. Ik word eerder wakker dan mijn wekker, strek m’n benen zover als de deken toelaat en zwier vervolgens m’n bed uit. Over het algemeen hebben m’n morgenstonden goud noch monden maar vandaag… vandaag is het verkiezingsdag, en indien er enige reden is voor somberheid heeft in ieder geval niemand dat aan mijn mondhoeken verteld. Ik geef toe, gedurende de laatste dagen heeft m’n obsessie met de verkiezingen haast ongezonde vormen aangenomen; vergelijkbaar bijna met de obsessie die Sybrand Buma heeft met het nederlandse volkslied.
               

Ik stap de voordeur uit en loop de stad in, richting stembureau. Ik lieg trouwens als ik zeg dat ik loop; ik been vastberaden over de kasseien. Grote kordate passen zijn het waarmee er wordt gestapt. Snelheid wordt alleen zo nu en dan geminderd om voorzichtig over een breuklijn in de samenleving te stappen. 'Niet naar beneden kijken', fluister ik tegen mezelf. ‘Trap er niet in’, echoot Tunahan Kuzu in m’n achterhoofd. Zodra de gapende kloof in m'n kielzog is ben ik 'm alweer vergeten. Dat komt door de macht. Ik ben dronken van macht. Één-zeventien miljoenste deel volkssoevereiniteit pulseert in m’n aderen. Nee, wacht, dat klopt niet. Als je twaalf komma negen miljoen stemgerechtigden combineert met een opkomstpercentage van plusminus vijfenzeventig procent, kom je uit op negen miljoen zeshonderdvijfenzeventigduizend. Één-negen miljoen zeshonderdvijfenzeventigduizendste deel volkssoevereiniteit giert door m’n lichaam.
               

Een minuscuul maniakaal lachje ontglipt me. Ik schrik van mezelf, kijk schichtig om me heen en constateer dat ik ietwat vreemd wordt aangekeken door een passerende oude man. Twee paar ogen ontmoeten elkaar en er rest me niets anders dan te blozen met een hevigheid en te zoeken naar woorden, als waren het de laatste stukken bestek in smerig afwaswater. Op dit soort momenten zou je willen dat je als persvoorlichter werkte onder Donald Trump, zodat je het miraculeuze vermogen bezat om de werkelijkheid volledig naar je hand te zetten. De ongemakkelijke stilte die volgt herinnert me echter aan het feit dat ik niet in het witte huis werk, en dat ik me dientengevolge naar de werkelijkheid dient te voegen in plaats van andersom. De woorden komen niet. Ik besluit ze noodgedwongen te vervangen door een ongemakkelijk lachje en schuifel wat achteruit. Terwijl ik me omdraai om verder te lopen verdwijnt plots de grond onder m’n voeten. Ik tuimel head-first de duisternis in.
               

De landing is zacht, gebroken door de politieke mediabubbel waarin ik zit. Internetzijdank. Ik swipe een kruisje (‘in de naam van facebook, google en de 140 tekens, amen’) en unlock m’n telefoon. Zaklamp-app aan. Liggend op m’n rug kijk ik beduusd om me heen. Welke breuklijn zou dit zijn? Een van de klassiekers misschien? Kerk versus staat, of centrum tegenover periferie? Patriarchaat versus feminisme? Misschien wel stad versus platteland? Of zou het die marianentrog onder de breuklijnen zijn; arbeid tegenover kapitaal? Nee, geen van die laatste lijkt waarschijnlijk, daar is ie niet breed of diep genoeg voor. Wel lijkt ie wat onstabieler te zijn. De bodem trilt onrustig. Terwijl ik naar beneden kijk zie ik kleine haarscheurtjes ontstaan. Zou het dan toch een relatief jonge kloof zijn? Winnaars versus verliezers van de globalisering wellicht? Hoog tegenover laag opgeleid? Ik weet het niet. Wel weet ik hoe de Japanse ambacht heet waarbij gebroken aardewerk gerepareerd wordt met goudlijm, om zo de bestaansgeschiedenis van een object en de schoonheid van haar imperfectie te benadrukken: ‘Kintsugi’. Terwijl ik opkrabbel vraag ik me af of het net zo goed zou werken voor samenlevingen als het doet voor servies.
               

Ik besluit op onderzoek uit te gaan. Hier en daar slaan mensen kleine beitels in de grond, wrikkend in de scheurtjes. Wat verderop valt een flauwe gloed te bespeuren. Van dichterbij wordt duidelijk dat het licht afkomstig is van een klein mijnwerkerslampje, dat vastgemaakt zit aan een elastieken hoofdband, die op zijn beurt weer vastzit aan het hoofd van een man in pak met vlassig peroxideblond haar. Terwijl hij naarstig met z’n pikhouweel in de weer is prevelt hij binnensmonds: “Nederland weer van de Nederlanders, Nederland weer van ons”. Aha! Homogene tegenover heterogene conceptie van het Nederlandse volk; ik had het kunnen weten.
               

“Hey, jij daar”, hoor ik van boven. Het is de oude man van daarnet, hangend over de rand; arm uitgestoken. Na wat klouterwerk weten onze handen elkaar te vinden en word ik de stoep op gehesen. De man stelt zich voor als Pierre Rosanvallon, buigt zich voorover en fluistert in m’n oor: “er zit bladluis op de lauwerkrans van de verkiezingen”. Voor ik er erg in heb draait hij zich om en is hij verdwenen.
               

De uitgestoken hand van Rosanvallon verbaast me niet. Hoe kon ik hem überhaupt zijn vergeten vandaag? Volgens Rosanvallon is ons verkiezingsfetisjisme totaal misplaatst. Hij heeft hier twee redenen voor. Ten eerste onttrekt de electorale democratie een fundamenteel onderscheid aan het zicht, namelijk dat tussen de algemene wil en de wil van de meerderheid. De overgang van de soevereiniteit van ‘het volk’ naar het principe dat stelt dat de meerderheid regeert is allerminst evident. Het probleem is dat de wil van de meerderheid weliswaar een dominant gedeelte van de wil van het volk reflecteert, maar nooit de wil van het volk als geheel – terwijl een puur electorale democratie wel doet alsof deze meerderheid gelijk staat aan het geheel. De tweede oorzaak van de ‘ontheiliging’ van de verkiezingen, zoals Rosanvallon het noemt, is het feit dat we de aard van een democratisch regime identificeren met de omstandigheden waaronder zij is ontstaan. Met andere woorden: de situatie zoals die zich voordoet tijdens de verkiezingen vormt de basis voor de praktijk gedurende de gehele vier jaar die een regering aan de macht is. Samenvattend: het meerderheidsprincipe kan onmogelijk recht doen aan de complexiteit van onze sociologische werkelijkheid, terwijl het moment waarop de verkiezingen plaatsvinden geen recht kan doen aan de periode van vier jaar die daarop volgt. Dit terwijl onze samenleving steeds complexer wordt en onze politieke werkelijkheid steeds veranderlijker en onvoorspelbaarder wordt. 
               

Om ondanks dit alles enige legitimiteit te behouden moet de democratie deze tekortkomingen die verkiezingen met zich meebrengen enigszins compenseren. ‘Het volk’ kan niet meer gezien worden als homogene massa, zoals menig populist neigt te doen. Interessant om te vermelden is dat dit soort populisten de hierboven geschetste verkiezingsmankementen helemaal niet als zodanig erkennen – ‘het volk’ is volgens hen immers homogeen en onveranderlijk. Om in tegenstelling tot deze figuren wel recht te doen aan onze sociologische werkelijkheid moet volgens Rosanvallon de manier waarop het volk wordt begrepen fundamenteel gedecentreerd en gedifferentieerd worden. Daarnaast moet men een arsenaal aan mogelijkheden hebben om invloed uit te oefenen op volksvertegenwoordigers gedurende hun mandaat.
               

Een van de manieren waarop dit kan worden bereikt is door middel van wat Rosanvallon ‘tegendemocratie’ noemt: ‘Counter-democracy’. Onder deze noemer vallen instituties en politieke bewegingen die ons in staat stellen om volksvertegenwoordigers buiten de verkiezingen om te controleren, en terug te fluiten wanneer dat nodig is. Zo wordt er tegenwoordig steeds vaker beroep gedaan op constitutionele gerechtshoven en onafhankelijke toezichtorganen, en wordt het wantrouwen dat bestaat onder de bevolking tegenover de politieke machtshebbers steeds sterker georganiseerd in sociale bewegingen en belangengroepen. Dit geheel van georganiseerd wantrouwen, dat zich manifesteert buiten de verkiezingen om en zo haar tekortkomingen compenseert, noemt Rosanvallon dus de tegendemocratie. In tegenstelling tot wat de naam doet vermoeden, is de tegendemocratie zodoende geen tegenpool van de democratie, maar juist een noodzakelijke aanvulling. Terwijl deze gedachtegang voortkabbelt verschijnt langzaam maar zeker het stembureau in zicht.
               

We schrijven 15 maart 2017, en er zit bladluis op de lauwerkrans van de verkiezingen. Ik stap het stemhokje binnen en maak de wereld één rood vakje rijker. Het vakje in kwestie, en ook de negen miljoen zeshonderdvierenzeventigduizendnegenhonderdnegenennegentig andere, vormen in tegenstelling tot wat ik vanochtend dacht maar een klein onderdeel van de democratie – een noodzakelijke voorwaarde wellicht, maar geen voldoende. Volkssoevereiniteit laat zich niet inperken door de contouren van een stembiljet. Democratie is een werkwoord, maar in tegenstelling tot wat ons verkiezingsfetisjisme doet vermoeden, begint het echte werk pas wanneer je na het stemmen weer terug staat op straat.