Filosofisch Café Nijmegen

Schaakcomputers zijn schrikbarend slecht in schaken – Rik van Lierop

Schaakcomputers zijn schrikbarend slecht in schaken

Rik van Lierop

7 mei 2019

Wanneer ik vertel dat ik kunstmatige intelligentie studeer kijken mensen meestal eerst alsof ik ze zojuist heb uitgescholden in het Russisch. Na die blik volgt over het algemeen een variatie op “dat klinkt moeilijk” en mocht er alcohol in het spel zijn dan komt er nog precies één grap achteraan, want inderdaad, KI is óók de afkorting voor kunstmatige inseminatie. Dat heeft u goed gezien. Ten slotte krijg ik die heerlijke vraag waar elke student een hekel aan heeft: “Maar wat doe je dan precies?”

Toen ik in mijn eerste jaar zat bestond mijn antwoord uit “iets met robots” en “vooral programmeren en een beetje psychologie”. Dat klinkt lekker vaag, maar zeg nou zelf: niemand weet echt waar ze mee bezig zijn wanneer ze beginnen met studeren. Inmiddels ben ik achter een definitie gekomen die naar mijn mening keurig de lading dekt. Mijn beschrijving van kunstmatige intelligentie is: het onderzoeken van natuurlijke processen in het menselijk brein en deze vervolgens implementeren in een computersysteem. De voorkeur gaat dan uit naar een implementatie die dat proces beter afhandelt dan een brein. Dat is meteen ook de reden dat mijn studie bestaat, want we zijn er nog steeds niet achter hoe die grijze massa precies in elkaar steekt. Als we dat uitgedacht hebben en het in een computer gebouwd zit is mijn papiertje niet veel meer waard.

Gelukkig is dit een enorme legpuzzel en hebben we alleen nog maar de rand gelegd. Af en toe wordt er een nieuw stukje geplaatst, maar we hebben nog geen flauw benul van hoe het eindplaatje eruit moet zien. Laat staan dat we weten hoe lang het gaat duren voordat de puzzel klaar is. Topwetenschappers uit de KI-wereld voorspelden in 1980 dat de mensheid binnen 20 jaar een kunstmatige intelligentie zou ontwikkelen die qua denkvermogen de mens zou kunnen evenaren. 20 jaar later, toen een dergelijk systeem in nog geen velden of wegen te bekennen was, werd opnieuw een voorspelling gedaan: binnen 20 jaar zou de mensheid een kunstmatige intelligentie ontwikkelen die qua denkvermogen de mens zou kunnen evenaren. Die 20 jaar zijn inmiddels ook alweer zo’n beetje voorbij. Als je nu rondvraag doet bij mensen uit de industrie dan zal het antwoord je niet verbazen. Er is nog veel te ontdekken, maar we zijn goed op weg en binnen 20 jaar zouden we wel eens een kunstmatige intelligentie kunnen ontwikkelen die qua denkvermogen de mens evenaart.

20 jaar is dus de consistente voorspelling, maar we kunnen ook gewoon toegeven dat we geen flauw idee hebben. De meeste onzekerheden worden veroorzaakt doordat we alles voor moeten kauwen voor een computersysteem. Computers zijn namelijk in één ding écht goed: rekenen. In al het andere zijn ze schrikbarend slecht. De meeste taken moeten wij mensen daarom eerst vertalen naar een rekensom waar de computer iets mee kan.

Neem bijvoorbeeld schaken: in 1997 versloeg schaakcomputer Deep Blue de wereldkampioen Garry Kasparov. Sindsdien is de mensheid altijd achtergebleven in het bordspel. We zijn Deep Blue alleen wel flink tegemoet gekomen als het om fysieke vaardigheden gaat. De schaakcomputer heeft namelijk nooit een schaakbord hoeven zien. Het heeft een digitale representatie van een schaakbord voor zijn neus geschoven gekregen, waarbij het als enige taak moest berekenen welke reeks getalletjes zorgt dat een ander getalletje zo hoog mogelijk wordt. Wanneer twee mensen schaken komt er nog zoveel meer bij kijken. Het is bijvoorbeeld best belangrijk dat je onderscheid kunt maken tussen je eigen stukken en die van je tegenstander. Daarvoor moet je de kleuren wit en zwart herkennen. Daarnaast verschillen de stukken natuurlijk van vorm, en moet je in staat zijn te zien welk stuk een koningin is en welke een pion. Als dit lukt is het ook nog prettig als je er fysiek toe in staat bent om een stuk te verplaatsen van het ene vakje naar het andere vakje.

Het herkennen van kleuren en vormen en het coördineren van een arm zijn voor ons alledaagse bezigheden waar we niet eens bij stil staan. Voor computers zijn het echter niet bepaald taken die zonder probleem uitvoerbaar zijn. Mensen die zelf wel eens aan een robotje gesleuteld hebben kunnen beamen dat de kans dat een robotarm een schaakstuk naar het juiste vakje verplaatst ongeveer net zo groot is als dat het het hele bord van tafel veegt. Persoonlijke ervaring heeft daarbij nog geleerd dat er bij de eerste 12 potjes überhaupt geen beweging in de arm zit.

Taken als kleuren herkennen of een houten poppetje verplaatsen zijn een paar handelingen die de menselijke intelligentie definieert. Een systeem dat objectief net zo intelligent is als een mens zou als ondergrens in staat moeten zijn zwart en wit te onderscheiden. Daarmee heeft het denk ik net de intelligentie van een huisvlieg te pakken. De vervolgstap beschrijft zich met taken als het herkennen van gezichten, het maken van logische keuzes en het hebben van ruimtelijk inzicht. Als dit soort vaardigheden samen in een kunstmatige intelligentie geïmplementeerd zijn, dan bevat die KI een basis voor wat wij intelligent noemen. Randzaken als lange termijn geheugen, omgaan met emoties en het concept “liefde” zorgen vervolgens dat wij het als menselijk gaan ervaren. Vanaf dat punt zou het kunst kunnen maken, grappen vertellen, een column voor een filosofisch café schrijven en, ook niet onbelangrijk, kunstmatige intelligenties ontwikkelen.

Dat laatste is waar veel onderzoekers denken dat het fout gaat. Een KI die andere, betere KI’s kan ontwikkelen. Het zou dit ordergroottes sneller kunnen doen dan wij. Deze KI’s zijn stuk voor stuk een klein beetje slimmer dan hun voorgangers. Binnen enkele uren zou een systeem opgebouwd zijn dat qua intelligentie ver boven de mensheid uit schiet. Zie het als de 300.000 jaar evolutie van de mens in anderhalve dag gepropt.

Er wordt geprofeteerd dat het resulterende systeem zonder moeite de wereld over kan nemen. Dit komt doordat ons simpele mensenbrein niet in staat is te begrijpen hoe dit systeem denkt. Het kan op complexe manieren die wij nooit kunnen begrijpen economische crises aanwakkeren, het internet onklaar maken of kernwapens overnemen, als het daar ten minste behoefte aan heeft. We zijn in dit geval puur afhankelijk van de verlangens van een computer, maar we hebben geen idee wat zo’n superintelligent systeem precies zou willen. Dat is ook onder de aanname dat een computer wel een wil heeft. Misschien is het eerder een digitale representatie van een wil, of een reeks getallen wat een ander getalletje zo hoog mogelijk moet laten worden. Laten we in dat geval maar hopen dat dat getalletje niet omhoog gaat als het aantal mensen in de wereld omlaag gaat.