Filosofisch Café Nijmegen

Wat sas as dös was kas

Door Mariëlle Polman

Dinsdag 2 april 2013

 

‘Wat sas as dös was kas’: u zult zich afvragen naar welke neanderthaler u nu moet gaan luisteren. Wat ik zojuist zei, is Twents en het betekent: ‘Wat zul je nog meer doen als je doet wat je kunt’. ‘Wat sas as dös was kas’.

Het kan misschien minimalistisch klinken: als ik doe wat ik kan, dan is dat genoeg. Ik hoef me niet uit te sloven, laat staan mijn hoofd boven het maaiveld uit te steken; een zesje is voldoende. Het gezegde lijkt dus de zesjescultuur aan te moedigen, dat wat zo verfoeid wordt in het onderwijs, door de overheid, door Jet Bussemaker. Het saboteert de kenniseconomie, het verlamt de concurrentie op de arbeidsmarkt, het minimaliseert de rol van Nederland op het internationale toneel.

Maar ‘doen wat je kunt’: wat betekent dat eigenlijk? Wat kun je? Hoe kom je erachter wat je kunt? Wat zit er in potentie in je en op welke manier kan dat actueel worden?, zou Aristoteles zich afvragen. Ik vraag me dat dagelijks af als docent Nederlands en filosofie, soms expliciet (bijvoorbeeld: ‘Zou Roel niet een béter betoog hebben kunnen schrijven?’), maar altijd impliciet: ‘Hoe haal ik uit de leerlingen wat erin zit?’ Een jongen constateerde na het behalen van een prijs op de Nationale Filosofie Olympiade: ‘Ik wist dat ik iets in mijn mars had, maar dit had ik niet verwacht.’ Dat is ontwikkeling: het groeien van wat in aanleg aanwezig is, zoals een boom groeit en zich ontwikkelt, zou de filosoof John Stuart Mill zeggen.

Het onderwijs heeft een taak in de zoektocht naar wat leerlingen kunnen, naar hun talenten. Bij de één is dat wiskunde, bij de ander Engels of filosofie of wat dan ook: dat valt allemaal te ontdekken. Die talenten stop je niet in de grond, maar kun je levenslang blijven ontwikkelen en vermeerderen: ‘Want wie heeft zal nog meer krijgen, en wel in overvloed, maar wie niets heeft, hem zal zelfs wat hij heeft nog worden ontnomen’, zo staat in de bijbel. (Mattheus 25:29)

Het onderwijs heeft dus een prachtige taak: de begeleiding van leerlingen in hun zoektocht en in hun ontwikkeling van talenten. Maar zoals bij alles wat wij doen, kunnen we doordraaien, doordraven, doorslaan. ‘Top!’ horen we dikwijls. Toptalenten, topprestaties, topmodellen: de Olympiades, prijzen en toernooien rijzen de pan uit. ‘Top!’ We willen afscheid nemen van ons Laagland, waar niemand boven het gemiddelde durft uit te steken. Bergen willen we beklimmen, natuurlijk om uit leerlingen te halen wat erin zit, maar ook om hen economisch bruikbaar en productief te maken, nuttig om vooruitgang te boeken voor volk en vaderland en voorbij de landsgrenzen.

Excelleren willen we! In februari jongstleden werd het predicaat ‘excellente school’ uitgereikt aan 52 middelbare scholen in Nederland. Staatssecretaris Dekker sprak zijn waardering uit voor hun ambitie: ‘U zit in de voorhoede, u bent aanjagers van een beweging die we nodig hebben voor de omslag naar een cultuur, waarin excelleren de norm is in plaats van de uitzondering. Waarin het aangemoedigd wordt je te onderscheiden en de lat hoog te leggen. En waarin het vanzelfsprekend is, dat je van elkaar wilt leren. Excellente scholen zijn de koplopers, de rolmodellen waaraan andere goede scholen zich kunnen optrekken.’

‘Wat sas as dös was kas’: ‘Wat zul je nog meer doen als je doet wat je kunt’. Dat klinkt ineens relativerend tegenover de woorden van de staatssecretaris. Excelleren als norm betekent volgens hem ‘je onderscheiden en de lat hoog leggen’. Maar is het dat wel, waar we naar moeten streven? Het kan een enorme druk leggen op leerlingen, op docenten, op een school in zijn geheel. Het kan leiden tot een burn-out, tot een overspannen fanatisme. Soms hoor ik leerlingen zeggen: ‘Het lijkt wel alsof de meerderheid over het hoofd wordt gezien, zij die gewoon hard moeten werken, geen prijzen halen en zich bijna minderwaardig voelen tegenover de slimmeriken.’ Ze zijn realistisch, deze leerlingen, en wijzen terecht op een dreigend gevaar.

Maar het Twentse gezegde laat zien dat de norm niet moet liggen in het zich onderscheiden van anderen en in het hoog leggen van de lat. ‘Doen wat je kunt’ betekent virtuoos leven in aristotelische zin: virtuoos, dus deugdzaam leven (‘virtu’ is deugd). Het betekent je eigen talenten ontwikkelen binnen de mogelijkheden die je hebt, opdat je een gelukkig mens wordt. Het betekent het midden vinden tussen onderschatting en overschatting, tussen minderwaardigheidsgevoelens en arrogantie, tussen het volgen van de gemakkelijkste weg en het streven naar wat buiten je bereik ligt. Een 6 is voor de één te laag, voor de ander het hoogst haalbare. De één zal de hoogste nok kunnen bereiken als hij in de touwen klimt, voor de ander is het al een hele prestatie als hij een meter boven de grond bungelt. Beiden excelleren in de ware zin van het woord: zij doen wat zij kunnen!

Om te doen wat je kunt, moet je weten waar je talenten liggen en daarvoor is zelfkennis nodig, een kritische geest. Voor mij persoonlijk is het vormen van een kritische geest een van de belangrijkste doeleinden om in het onderwijs aan te werken. Als leerlingen het filosofielokaal verlaten met prikkelende vragen in hun hoofd, is er iets waardevols gebeurd. De filosofe Martha Nussbaum benadrukt het kritische denken in haar pamflet Niet voor de winst. Waarom de democratie de geesteswetenschappen nodig heeft. Daarin geeft ze voor scholen een lange lijst met aandachtspunten. Zo moeten scholen de moed en vaardigheid oefenen die je nodig hebt om een afwijkende mening te laten horen. Ook behoren zij kinderen te leren dat ze zich niet hoeven te schamen voor hun eigen behoeftigheid en incompleetheid; ze kunnen die juist aangrijpen om samen te werken in het besef dat ze elkaar nodig hebben. Dit zijn geen hooggestemde idealen, maar manieren om te bereiken dat eenieder doet wat hij kan en binnen zijn mogelijkheden kan excelleren.

‘Wat sas as dös was kas’: hoe simpel het ook klinkt, Aristoteles wist al dat dit niet zo’n eenvoudige opgave was. Hij gaf ook al aan dat de omgeving een voorbeeldfunctie heeft: om je eigen talenten te ontdekken en te ontwikkelen, kijk je de kunst af van mensen om je heen die je bewondert. Dat kunnen docenten zijn of anderen die je op school ontmoet, maar de basis ligt in het gezin, in de omgeving waarin je opgroeit. ‘Wat sas as dös was kas’ werd mij met de paplepel ingegoten. De spreuk hangt bij mij in de hal, op een bordje dat mijn vader, die onlangs overleden is, voor mij heeft laten maken. Hij vond het belangrijk dat zijn kinderen gelukkig waren, gelukkig in de zin van ‘eudaimonia’: gelukkig zijn als het doel van ieder mens, die op zijn eigen wijze en met gebruik van zijn verstand zijn talenten ontwikkelt. Het maakte niet zozeer uit wàt we precies deden, als we maar zouden doen wat we konden: ‘Wat sas as dös was kas’.