Filosofisch Café Nijmegen

De Dood

door Annemarie van Stee

5 oktober 2010

Authenticiteit in het licht van de dood

Heidegger stelde dat wij, door onze dood onder ogen te zien en de angst die daarmee gepaard gaat te doorleven, ons los kunnen maken van het Men waarin de meeste mensen leven en ons een authentiek zelf kunnen verwerven. Ik vraag mij af: wat wanneer het Men en masse naar authenticiteit streeft? Wat wanneer authenticiteit een sociale norm wordt? Ik betoog dat het streven naar authenticiteit rond de dood, bij begrafenissen en op begraafplaatsen, soms hele inauthentieke taferelen tot gevolg heeft. Dat de nadruk op individualiteit, juist in het licht van de dood, mij als heel inauthentiek voorkomt. Dit is een column, dus ik zal proberen het luchtig houden, wat nog best een uitdaging is bij dit thema. Ik neem u mee naar drie plaatsen waar ik graag en met enige regelmaat kom: 1. stations, 2. begraafplaatsen, 3. Noorwegen.

1. Stations

Wat maakt uw uitvaart uniek? Ik liep nietsvermoedend op het station. Ziet u, ik kom graag op stations. Je wordt er zo heerlijk met het leven in al haar mogelijkheid geconfronteerd. Het leven kan er zo fijn alle kanten op. Maar nu werd mij dus duidelijk gemaakt dat we uiteindelijk ‘in de grote reis van het leven’ allemaal dezelfde kant op gaan: richting de dood. Wat maakt uw uitvaart uniek? riep de poster nog steeds in grote letters. Nou, dat ik het ben, dacht ik korzelig bij mijzelf, en liep verder naar mijn trein, want ik was al wat aan de late kant. Dat ik het ben, en voor de rest zo min mogelijk.

Maar andere mensen zijn anders. Een voorbeeld van een unieke uitvaart zag ik een tijdje geleden in een documentaire over de gebroeders Stutterheim, Duncan en Miles. Zij begonnen ooit met het organiseren van kleine gabberhouse-feestjes. Van het een kwam het ander en zo ontstond ID&T, een zeer succesvol bedrijf dat o.a. gigantische dance-feesten organiseert. Een voorbeeld hiervan is Sensation in de Amsterdam Arena: 70.000 mensen, allemaal helemaal gekleed in het wit, de hele nacht dansend op house en trance muziek. Het is heel indrukwekkend om te zien, al zijn associaties met het Men gauw gemaakt, maar dat terzijde. De documentaire toont de broers Duncan en Miles als ambitieuze jongens die keihard werken en keihard feesten. Ze houden van snelle auto’s, rijden allebei een Porsche, Miles heeft zelfs een cabrio. Met die cabrio rijdt Miles in een donderdagnacht frontaal op een boom. Hij is op slag dood.

Wat volgt is een unieke uitvaart. De gasten zijn helemaal in het wit gekleed. Tegen het einde van de ceremonie neemt Duncan het woord. Hij zegt: ‘We hebben nu een hoop shit gehad. Voor de rest van de dag willen we er een feest van maken. Dat had Miles er zeker ook van gemaakt. Ik wil het vieren. Ik wil het niet triest… tuurlijk is het een gemis voor ons, maar hij denkt: ja doei, daar heb ik niks mee te maken. Feest!’ Feest zal het worden, in de geest van Miles. Dat is authentiek, toch? Dus verzamelen ze zich rond de kist, zetten een housenummer op en proberen te dansen. Maar dat lukt niet zo goed, beter gezegd: het gaat voor geen meter. Je ziet hoe sommigen beginnen te huilen, je ziet hoe hun lichamen zin hebben om in te storten, maar dat mogen ze niet van zichzelf. Ze dwingen zichzelf te dansen, soort van. Wat resulteert is het treurigste gehos dat ik ooit heb gezien.

De uitvaartverzekering van de slogan Wat maakt uw uitvaart uniek? heeft ondertussen nieuwe posters met de tekst: Uw uitvaart, u moet er toch niet aan denken. Uit de documentaire blijkt wel dat als er iets is waar de broers voor het ongeluk geen ogenblik over nadachten, dan is het wel hun uitvaart, of überhaupt dat ze dood zouden kunnen gaan. Duncan beschrijft hoe de dood van Miles een eye-opener was. Er lijkt in hem ondertussen wel degelijk iets Heideggeriaans plaats te hebben gevonden: na de dood van z’n broer begon hij te reflecteren op hoe hij leefde en wat er anders kon. Hij besloot te gaan reizen en zich te binden aan degene die nu zijn vrouw is. Maar het begrafenisevent overstemt dat soort ervaringen totaal. Je ziet aan veel van de gasten dat juist op dit moment iets doorschemert van dat er meer is in het leven dan de routine van keihard werken en keihard feesten waarin ze leven. Maar ze dwingen zichzelf daar heel hard overheen te schreeuwen met de muziek die ze gewend zijn. Het is krampachtig, er is niets authentieks aan. Maar uniek was het wel ja.

Maar dit dreigt te treurig te worden, laten we de begrafenissen even voor wat ze zijn en een wat rustigere plek opzoeken: begraafplaatsen.

2. Begraafplaatsen

Ziet u, ik kom graag op begraafplaatsen. Dat wil zeggen, mits ik de doden die er liggen niet al te goed ken. Ik kom graag op begraafplaatsen, want je wordt er zo heerlijk met de eeuwigheid geconfronteerd, en met je eigen eindigheid. In dat perspectief is het goed relativeren. Van de begraafplaatsen die ik in en rond Nijmegen heb bezocht, is die van de Heilige Land Stichting veruit de mooiste. Voor diegenen die er nog nooit geweest zijn: alleen al het kunstwerk bij de ingang is de moeite van het bezoeken waard. Het is er prachtig. Het is reusachtig. Het is een landschapspark waar de levenden overdag, en de doden ’s nachts zich kunnen troosten aan de schoonheid van de natuur. Wat het voor mij zo mooi maakt, is dat de graven opgaan in deze omgeving. De meeste graven bestaan uit een kleine, lage omheining van natuursteen, met daarin gemetseld een eenvoudig plaatje waarop naam, geboortedatum en sterfdatum van de overledene. Meer niet. Hier geen kakofonie van stenen in allerlei maten en kleuren, nee, overal is hetzelfde natuursteen gebruikt. De graven lijken op elkaar.

Nou ja, op het eerste gezicht dan. Loopt u verder zoals ik deed, dan blijken er ook op deze natuurlijke begraafplaats verschillen te bestaan. Die omheiningen van natuursteen verschillen wel degelijk van grootte, en niet altijd proportioneel aan het aantal mensen dat erbinnen ligt. Want het lapje grond dat de graven van 26 nonnen bevat is van dezelfde grootte als het graf voor 5 leden van een familie met een erg lange achternaam. En hoe langer ik liep, hoe meer de titels die sommige mensen aan de grafsteen hadden toegevoegd, me opvielen. Het aantal doden met doctorstitel is opmerkelijk. Sommige mensen vermelden ook hun voormalige beroep. Ik noteerde een kinderarts, een gynaecoloog, een arts-röntgenoloog, een architect en een electro-ingenieur. Ik heb lang naar een timmerman gezocht, maar die bleek er vreemd genoeg niet te liggen. Wel liggen er meerdere mensen die niet konden nalaten te vermelden dat zij het in hun leven tot prof. dr. hebben geschopt en ik heb zelfs een mgr. prof. dr. weten te ontwaren.

Tja, dat gepronk, die titels en beroepen, dat vind ik dan weer jammer. Ietwat inauthentiek ook. Dat klinkt u misschien vreemd in de oren. Ik hoor u denken: je zei dat de graven veel op elkaar lijken; is het dan niet beter tenminste iets van je achtergrond te vermelden? Wanneer ik me zou laten begraven in een graf als dat van ieder ander, zou dat niet het toppunt van opgaan in het Men zijn?

Maar beste mensen, bedenk u wel: we hebben het hier niet over hoe u uw leven leeft, maar wat er op uw steen staat na uw dood. Ik persoonlijk ben ervan overtuigd dat voor de mensen die mijn graf zullen bezoeken mijn naam meer dan voldoende is om zich te kunnen herinneren wie ik was. Die hebben niets aan de extra informatie: ‘Annemarie van Stee, columnist bij het filosofisch café’. Laten we wel wezen, de mensen voor wie u niet allereerst uw specifieke zelf was, maar een professor of electro-ingenieur, die mensen komen toch niet naar uw graf. Wie wij ten diepste waren, ons authentieke zelf, valt niet te vatten door het noemen van een beroep of een titel. Beroepen en titels zijn nu juist plaatsbepalingen van wie je was bekeken vanuit het Men; ze gaan over de rol die je vervulde in de sociale wereld waarin je je gedroeg zoals Men zich behoort te gedragen, gegeven die rol. Maar hoe dan je authentieke zelf te benoemen? Ik denk dat alleen je eigennaam dat kan. En laat die nu juist op zo’n steen staan.

Mede daarom is het zo tragisch wat ik zag op de begraafplaats bij de kerk in Weurt: daar liggen twee jongetjes met precies dezelfde naam, onder hetzelfde steentje. Het waren broertjes, het jongste broertje was geboren nadat het oudste was overleden en had diens naam gekregen. Maar hij leefde zelf ook maar een paar jaar. Nu liggen ze daar dus en zelfs hun eigennaam kan hen niet meer van elkaar onderscheiden…

Maar laat ik hier niet verder op ingaan, want dat zou te droevig worden, laten we snel vertrekken, naar de derde plek waar ik beloofd heb u mee naartoe te nemen

3. Noorwegen

Ziet u, ik kom graag in Noorwegen. Ik voel me er thuis. En wandelend door die woeste natuur word je zo heerlijk met je eigen nietigheid geconfronteerd. Ooit stond ik met een tentje op een grasveldje dat als camping dienst deed. Ik had uitzicht op een fjord, links stonden een aantal andere tentjes en rechts lag, jawel, een begraafplaats. Deze lag zo dichtbij dat als de doden ’s nachts een potje hadden willen voetballen, ze dit zeker op het veldje hadden gedaan waar ook mijn tentje stond. Deze begraafplaats vond ik prachtig. Alle mensen uit dit dorpje aan het fjord lagen hier. De stenen waren eenvoudig, allemaal van dezelfde grootte, en vermeldden: de naam van de overledene, de naam van hun geliefde, data en hier en daar een ‘rust in vrede’.

En wat meer dan dat doet er toe in het licht van de dood? Stof zijn wij en tot stof zullen we wederkeren. Er ligt iets heel authentieks in erkennen dat je een mens bent, een mens als alle mensen, juist op het moment van je dood. Dat doet niets af aan de mogelijkheid om een authentiek zelf te zijn tijdens je leven. Een simpele steen (mens als alle mensen), met je eigen naam (de enig mogelijke benoeming van je authentieke zelf) is wat mij betreft precies goed. Je naasten herinneren zich toch wel wie je was. En als ook zij gestorven zijn, wordt je toch wel vergeten. In deze tijden waarin individualiteit norm lijkt te zijn, pleit ik ervoor: durf afscheid te nemen van je identiteit, durf dat los te laten. Durf dood te zijn. Want het moet ook een keertje afgelopen mogen zijn.