Filosofisch Café Nijmegen

Spiernaakt

door Femke Kok

5 april 2011

Omdat alles wat ik wil zeggen al eerder bedacht is en beter verwoord, vang ik aan met wat Michel de Montaigne schreef in de inleiding op zijn essays. Ik citeer vrijelijk:

Deze column, luisteraar, is er een te goeder trouw. Ik heb hem net zomin om u te dienen als voor mijn eigen roem geschreven. Als het mij te doen was geweest om bijval van de wereld, dan zou ik mij zeker mooier en meer bestudeerd hebben voorgedaan. Ik wil echter dat u mij ziet in mijn eenvoud, gewoon zoals ik ben, ongedwongen en zonder franje: want ik portretteer mijzelf, althans, voor zover het fatsoen mij dit toestaat. Als ik onder één van die volken had geleefd die nog de gelukzalige vrijheid van de oorspronkelijke natuurwetten genieten, dan had ik hier volgaarne spiernaakt voor u gestaan. Dus, luisteraar: u zou wel gek zijn uw tijd te verdoen met een zo ijdel onderwerp. Vaarwel.

Ik wil dus dat u mij ziet in mijn eenvoud: zoals ik echt ben. Het zal de tijdgeest wel zijn. Google ‘jezelf zijn’, ‘jezelf worden’, ‘jezelf blijven’ of ‘authenticiteit’ en u zult versteld staan van de hoeveelheid hits. Maar ‘jezelf zijn’ is ook een tijdloos thema. Pierre Abélard bijvoorbeeld, de beroemde filosoof en de Romeo van de twaalfde eeuw, wist wel hoe we onszelf moeten zijn: we moeten al onze tekortkomingen aanvaarden, maar we moeten ons er niet door laten beheersen. Je ware ik word je door over jezelf te triomferen. Daarvoor moet je jezelf wel kennen. ‘Scite te ipsum’ ofwel ‘Ken uzelf’ was de titel van zijn ethiek.

‘Ken uzelf’ is een adagium waar Godsbewijzen en filosofische systemen op zijn gebouwd. Maar gezien recente ontwikkelingen in de neurowetenschappen lijkt ‘jezelf kennen’ schier onmogelijk geworden. Neem bijvoorbeeld Dick Swaab, die zegt dat wij ons brein zijn. Om onszelf te kennen moeten we dus onze neuronale activiteit onderzoeken in een fMRI scan, maar daartoe hebben de meeste van ons geen toegang. Of Victor Lamme, volgens wie ons ‘ware ik’ het onbewuste is, dat wij slechts in geringe mate kunnen sturen en kennen. Ons bewustzijn wordt door Lamme een ‘nutteloze babbelbox’ genoemd.

Hoe kan ik dan nog mezelf zijn of worden als ik niet kan weten wie ik ben? Eén ding weet ik zeker: op een dag zal ik niet meer zijn wie ik ben. Wat mijn dood precies zal brengen weet ik natuurlijk niet. Als gedachtenexperiment leg ik u twee willekeurige scenario’s voor:

Scenario 1:
Er is geen God en ik verga tot stof. Zo ook mijn brein. In de afwezigheid van de neuronale activiteit die tijdens mijn leven samenviel met mijn ‘ik’ besta ik niet langer. Dit zou niet alleen het einde van mij, maar ook dat van deze column zijn.

Scenario 2:
Er is wel een God en hij is katholiek. Ik merk dat ik ondanks de afwezigheid van neuronale activiteit nog steeds coherente gedachten produceer en logische conclusies trek in Gods aanschijn en ik vrees de hel. God is juist bezig om het werk van Wittgenstein te lezen. Hij knikt instemmend en stelt me gerust: Wittgenstein schreef ‘De hel, dat zijn niet de anderen, dat ben je zelf’. Vervolgens vraagt God me om een laatste wens. God en ik drinken samen een whisky, roken een sigaar en hebben seks. Daarna laat God me alleen. Tot het einde der tijden krijg ik één vraag te overdenken: ‘wie ben je’?

En dan zijn we weer terug bij af. ‘Wie ben je?’ Aiai, lastige vraag. Wat bedoelt u precies? U denkt toch niet dat een mens in staat is daar een antwoord op te formuleren? U kijkt op zondagavond zeker nooit naar de Reünie? Daar proberen oud klasgenoten elkaar te vertellen wie zij geworden zijn, maar ze struikelen steevast over hun onvermogen om dat adequaat te formuleren. Vraag: ‘Wat is er van je geworden?’ Antwoord: ‘Ik ben al twintig jaar getrouwd met twee kinderen’. Vraag: ‘Hoe gaat het nu met je?’ Antwoord: ‘Ik ben taxichauffeur’.

In mijn hoofd blijft God’s vraag prangen – “Wie ben je?” – en ik overweeg mijn opties.
a) Ik zou kunnen antwoorden, vrij naar Wittgenstein: Weet ik of denk ik alleen dat ik Femke Kok ben? En is dit een zinvolle vraag? Ik weet alleen dat ik antwoord als men mij roept.
b) Of, vrij naar Dick Swaab: ik ben mijn brein en aangezien mijn brein tot stof is weergekeerd wens ik niet verantwoordelijk gehouden te worden voor wat het in vleselijke toestand heeft aangericht.
c) Of, vrij naar Victor Lamme: vraagt u dat niet aan mij. Ik ben slechts de babbelbox die in retrospect alles goed mag praten wat mijn onbewuste, mijn ware zelf, mij liet doen. Als u mijn ware zelf wilt oordelen moet u niet bij mij zijn.
d) Of: checkt u voor een antwoord op deze vraag mijn facebook.

Ten einde raad besluit ik gewoon wat gewoon wat anekdotes over mijzelf op te rakelen. Mijzelf te portretteren, althans voor zover het fatsoen mij dit toestaat:

“God”, zeg ik, “mijn zus en ik deelden als kinderen dezelfde existentiële angst: de angst om niet jezelf te kunnen zijn in een wereld vol anderen. Bij mijn zus uitte zich dat in een groot ontzag voor Jezus Christus. Bij mij in een buitensporige angst voor wespen”.

“God”, zeg ik, “als kind had ik een waxjas. Zo een waarvan NRC Handelsblad dit weekend schreef dat die in de mode is, vanwege zijn degelijkheid, of authenticiteit, zo u wil. Gelooft u mij, in de tijd dat ik een waxjas had, was dat niet cool. Mijn klasgenoten wisten niet eens wat dat was, een waxjas, en ook niet dat je hem eens in de zoveel tijd opnieuw moet invetten, om die lekkere paardenharen geur te behouden. Nu was die waxjas geen statement van mijn kant, maar een modeblunder. Zoals ik ook altijd precies de verkeerde schoenen kocht. Ik was daar behoorlijk ongelukkig onder. Totdat één van de populairste meisjes uit de klas mij bekende – uiteraard buiten het gehoorsveld van haar vriendinnen – dat ze mij bewonderde, omdat ik altijd deed wat ik zelf wilde. ‘Jij blijft altijd jezelf, zonder je iets van anderen aan te trekken’. Ze moest eens weten. Toch droeg ik mijn modeblunders in het vervolg met gratie”.

“God”, zeg ik, “ik zou nog even door kunnen gaan met genânte voorbeelden, maar dit is het antwoord op uw vraag. Wie ben ik? Ik ben het meisje dat zichzelf was, ondanks zichzelf. Liever was ik zoals alle anderen, maar door mijn mislukking werd ik mijzelf. Was authenticiteit in die dagen in de mode geweest, zoals nu, dan was het mij waarschijnlijk niet gelukt. Van mode heb ik namelijk geen verstand”.

“God”, zeg ik ten slotte, “misschien kunt u uit al deze woorden een verhaal construeren waarin ik mijzelf herken. Een fictie waaraan ik zelf heb meegeschreven. Ik sta hier voor u als een lappendeken van misplaatste woorden. Ik zeg steeds maar dingen die ik niet wilde zeggen. Deze column illustrere dat. Maar ik ik kan het echt niet helpen, God, want zo ben ik nu eenmaal”.

Femke Kok publiceerde deze column ook op haar eigen weblog. Meer van haar lezen? Dat kan hier.