Filosofisch Café Nijmegen

Happy Ending?

door Wout van Tongeren
dinsdag 6 september

En ze leefden nog lang en gelukkig. Dat is een fijne manier om een verhaal af te sluiten. De draak is verslagen, de prinses wakkergekust, de herdersjongen tot koning gekroond en de wolf neergestort in een diepe, diepe put. Kortom: nu alle problemen zijn opgelost kan eindelijk het lange, gelukkige leven beginnen.

Daar stopt het verhaal: eind goed al goed. Maar waarom eigenlijk? Hoe komt het dat de korte strijd tegen heks of monster meer aandacht krijgt dan de vele jaren die daarop volgen? Is het voor de prins dan echt zoveel moeilijker om een draak te verslaan dan om het een heel lang leven uit te houden met altijd maar weer dezelfde prinses aan zijn zijde? En houdt die prinses nog wel evenveel van haar held te paard als die oud en stram wordt en ’s ochtends een beetje humeurig is? Wij zouden juist geïnteresseerd moeten zijn in dat leven ná de grote overwinning, want met gruweldieren en tovenaars hebben we in ons eigen bestaan nooit te maken — met het eindeloze gehannes om de dagen een beetje prettig door te komen des te meer.

Natuurlijk, een verhaal moet ergens beginnen en ergens eindigen en tussen die twee punten mag niet teveel tijd liggen. Anders raken we als lezers, luisteraars of kijkers het overzicht kwijt. Dat inzicht schreef Aristoteles al op in zijn poetica:

[A]lles wat mooi is (dit geldt voor een levend wezen evengoed als voor iedere andere zaak die uit delen is samengesteld) moet niet slechts zijn delen in goede orde en samenhang hebben maar óók beschikken over een omvang die niet willekeurig is. Want schoonheid bestaat in omvang en in ordening; dat is ook de reden waarom wij een erg klein diertje niet mooi kunnen vinden, want de waarneming wordt onscherp wanneer de duur ervan de duur van een onmerkbaar ogenblik nabij komt; en een erg groot beest ook niet, omdat de beschouwing niet in één keer plaats vindt en de eenheid en het geheel <van zoiets groots> voor het bewustzijn van de beschouwer uit de waarneming verloren gaat, zoals bv. <het geval zou zijn> als een dier 1000 kilometer lang was. Welnu, zoals het dus voor voorwerpen en levende wezens geldt dat iets wat mooi is omvang moet hebben en dat deze goed te overzien moet zijn, zo geldt ook voor de plots dat ze lengte moeten hebben <om mooi te zijn> maar dat deze lengte goed te onthouden moet zijn. (1)

In de Renaissance smeedden Italiaanse en Franse classicisten deze eenvoudige vaststelling om tot de beruchte, hardstalen eenheidswetten van tijd, plaats en handeling, waaraan toneelstukken vanaf die tijd behoorden te gehoorzamen. De gebeurtenissen uit het verhaal moesten zich bij voorkeur binnen vierentwintig uur voltrekken, liefst op één plaats en zonder al te complexe verwikkelingen.

Tegenwoordig zijn we wat minder streng in de leer, maar Aristoteles’ theorie is nog altijd invloedrijk. Romantische hollywooddrama’s zijn een goed voorbeeld: bijna nooit vertellen die een liefdesgeschiedenis van het begin tot het einde. Ze beperken zich tot het opbloeien van de liefde: de eerste ontmoeting, het besef dat deze liefde niet kan of mag bestaan, en dan de stapsgewijze overwinning van een reeks problemen tot de geliefden elkaar tenslotte toch nog in de armen sluiten. Dan zit het verhaal erop: de jaren die volgen worden afgedaan met een mooi eindbeeld van lachende mensen in de natuur en een aftiteling met fijne vioolmuziek: all’s well that ends well. (2)

***

Liefdesfilms gaan vrijwel nooit over liefde, maar bijna altijd over verliefdheid. Dat zijn twee heel verschillende dingen en het is raar dat we ze zo gemakkelijk met elkaar verwarren. Verliefd zijn op iemand duurt immers hooguit een paar jaar. Daarna spelen de gevoelens voor diegene misschien incidenteel nog een keer op, maar ze worden toch nooit meer wat ze geweest zijn. Liefde daarentegen, kan decennia lang genoeg hebben aan dezelfde persoon. Verliefdheid is heerlijk ongeduldig, grillig, ze wil alles ogenblikkelijk, voluit en tegen elke prijs. De liefde is gelijkmoedig, kalm en weloverwogen, op het saaie af. Verliefdheid heiligt: ze ziet in het voorwerp van haar begeerte geen enkel gebrek. De liefde ziet de tekortkomingen van de ander juist haarscherp, maar aanvaardt ze, al is dat soms mokkend.

Natuurlijk leent de verliefdheid zich veel beter voor een spannend verhaal: ze is beperkt in tijd en eenvoudig van ontwikkeling. Ze gaat over winst of verlies, over een nacht dolgelukkig in een vreemd bed of huilend in het eigen, over een keuze tussen hartstocht of plicht. Een verhaal over echte liefde zou zich daarentegen moeten uitputten in een eentonige opsomming van kleinigheden om aan de subtiliteiten van het onderwerp recht te doen. Het zou de eenheden van tijd, plaats en handeling ruimschoots overschrijden.

Het is niet ondenkbaar dat ons beeld van de liefde bepaald is door het soort verhalen dat we erover vertellen. Door de eenzijdigheid van onze liefdesdrama’s hebben we de verliefdheid misschien wel tot het ideaal van de liefde gemaakt; een ideaal waar natuurlijk nooit aan te voldoen valt. Wie zou zijn hele leven zo gelukkig met zijn partner kunnen blijven als in de eerste hartstochtelijke maanden? Toch lijkt dat de norm te zijn van het romantische drama: een relatie die niet gepassioneerd is, is een kwelling die je moet ontvluchten in de armen van een minnaar. Het venijn van het liefdesverhaal zit hem in het staartje: “en ze leefden nog lang en gelukkig.” De romantische film suggereert dat alles in kannen en kruiken is als de gelieven elkaar eindelijk gevonden hebben; het leven leert dat de ellende dan pas begint.

***

Is verliefdheid eigenlijk wel een goed fundament om een bestendige relatie op te bouwen? Zou uithuwelijking niet een beter begin kunnen zijn? Het gedwongen huwelijk functioneert in romantische drama’s natuurlijk altijd als iets ellendigs waaraan de held of heldin tenslotte goddank weet te ontsnappen. Maar is het terecht dat het gearrangeerde huwelijk zo negatief wordt voorgesteld? In het orthodoxe Jodendom schijnen zulke relaties bijvoorbeeld heel zorgvuldig te worden voorbereid, door bemiddelaars die eerst een uitvoerige studie maken van de persoonlijkheden van de aanstaanden om de best mogelijke combinatie te vinden. Zo’n weloverwogen koppeling zou wel eens een veel degelijker begin voor een relatie kunnen zijn dan de uitzinnige roes van de verliefdheid.

Misschien is het dus tijd voor een rehabilitatie van het oude vak van de koppelaarster. Zeker met behulp van de neurologie, de psychologie en de sociale wetenschappen zou het vrij goed mogelijk moeten zijn om de haalbaarheid van een relatie bij voorbaat vast te stellen. Natuurlijk doen relatiebemiddelingsbureaus al iets dergelijks, maar zij kunnen weinig veranderen aan het belangrijkste obstakel dat een herwaardering van het gearrangeerde huwelijk in de weg zit: wij moeten eerst afstand nemen van de gedachte dat verliefdheid het hoogste ideaal van de liefde is.  Het zou al helpen als we onze liefdesverhalen een beetje bijstelden. Daarvoor is het niet eens nodig dat bioscopen voortaan alleen nog maar oeverloze films over de kleinigheden van de ware liefde draaien. Als we graag overzichtelijke drama’s “op z’n Aristotelisch” willen hebben, dan kunnen we simpelweg het zwaartepunt verschuiven. In plaats van over het begin zouden verhalen vaker over het einde van relaties kunnen gaan, om zo onze verwachtingen van de liefde wat realistischer te maken. Zou het niet heerlijk zijn om de bioscoop uit te lopen met de gedachte dat vergeleken bij de ellende die je de afgelopen twee uur hebt bekeken, je eigen relatie helemaal zo slecht nog niet is? Of als het dan toch zonnige liefdesverhalen moeten zijn, omdat die nu eenmaal ‘beter in de markt liggen’, dan is het misschien heilzaam als we tijdens de vertoning van een romantische film af en toe een zwart omrande waarschuwing in beeld laten verschijnen: “Een eind goed biedt geen garantie voor een al goed.”

***

(1) Aristoteles, Poëtica [1450b34-1451a5], Athenaeum—Polak & Van Gennep, Amsterdam, 1995; blz 41-42. De toevoegingen tussen ‘<>’ zijn van de hand van de vertalers.

(2) Annemarie van Stee wees mij op een relevante passage uit Kierkegaards Of/Of waarin rechter Wilhelm populaire liefdesverhalen hekelt: “Na de vele overwonnen fata zinken tenslotte de gelieven elkaar in de armen, het doek valt, het boek is uit, maar de lezer is niet wijzer dan hij was; want er is waarlijk geen grote kunst voor nodig om, mits de liefde in haar eerste ontvlammen aanwezig is, moed en verstand genoeg te hebben om met al zijn kracht te strijden voor het goede dat men als het enige beschouwt, maar daarentegen wel bezonnenheid, wijsheid en geduld om de matheid te overwinnen die vaak volgt op de vervulling van een wens.” Of/Of, Boom, Amsterdam, 2000; blz. 487-488.