Filosofisch Café Nijmegen

Blijmoedig stuntelen – Joris van den Berg

De kern van het stuntelen is dat deze een beweging impliceert die niet vloeiend wordt uitgevoerd maar wel wordt volbracht.

Het prototypische gestuntel is bij binnenkomst met je voet achter de drempel blijven hangen. De daaropvolgende cascade van geïmproviseerde bewegingen zorgt ervoor dat je uiteindelijk weer je balans hebt gevonden in het midden van de kamer en met een schaapachtige grijns de verbaasde aanwezigen begroet. Deze hinkstapsprongdynamiek zit ook in het fonetische aspect verstopt. Stun-te-len, is net als stot-te-ren en han-ne-sen een woord dat beschrijft wat er gebeurt als iets wat normaliter vloeiend verloopt, dit plotseling schoksgewijs doet.

In de meeste levensgebieden is deze beweging het voorstadium voor kundigheid. Voor alle eerste keren – of dit nou sex of de belastingaangifte is, moeten we eerst onbeholpen zoeken naar de juiste houding. Naarmate we het vaker doen en er ‘handigheid’ in krijgen ontstaat er vanzelf een gevoel van vertrouwen in ons zelf; letterlijk een zelf-vertrouwen dat de overbewuste helikopterouder in ons  overbodig maakt. 

So far, so good.

Maar er zijn levensproblemen die onze pogingen tot het eigen maken weerstaan. Waarbij het voorlopige en zelfreflectieve karakter maar niet weet te stollen in een vertrouwde modus operandi.

Deze bevinden zich bovenal op het existentiëel-ethische vlak. Laten we de filosofische verwondering als voorbeeld nemen – en dat zeg ik niet omdat dit toevallig het thema is waarin ik thuis ben.

Volgens enkele prominente Grieken begint de filosofie in de verwondering. In de ontmoeting met hetgeen we niet weten, beginnen we te denken. Volgens de meer rationeel aangelegde types als Aristoteles, Descartes en Dawkins is het doel vervolgens deze verwondering te ontstijgen door kennis te verkrijgen.

Maar als we ons bijvoorbeeld verwonderen over het feit dat de wereld er is en ons niet goed raad weten met dit besef, valt dit voorstadium niet volledig te ontstijgen. Omdat de vraag “waarom is er iets en niet niets” niet een rationeel beantwoordbare vraag is, ontbreekt de mogelijkheid om een staat van euporia te bereiken (wat zoveel betekent als de vrije doorstroom van gedachtes). 

En dan wordt het pas echt interessant. 

Laten we weer de beweging uit het begin voor de geest halen – die van het stuntelend binnenkomen van de kamer waarbij we uit balans in enkele stappen deze weer al improviserend herstellen. Het zoeken naar de juiste houding – een die passend is bij de situatie. Enige bluf is noodzakelijk en gratie is een plus.

Zo komen wij ook het leven binnen. Misschien is  existentieel filosoferen wel te begrijpen als het struikelen over de drempel van het bestaan zelf. Daar waar we normaliter onbewust en doelgericht ons de kamer in begeven, blijven de filosofen met hun opgevoerde ratio steken bij het feit dat überhaupt iets is. De beroemde vraag van Leibniz ‘waarom is er iets en veeleer niet niets’ is namelijk bovenal een steen des aanstoots als men zichzelf heeft wijsgemaakt dat alles een logische reden dient te hebben.

Door stil te staan bij het simpele maar onbegrijpbare gegeven dat we bestaan, wordt er gezocht naar een nieuwe verhouding hiertoe. Als we dit gegeven als vertrekpunt nemen van onze manier van leven; welke houding is dan gepast? Hoe moeten we dan leven? En waar baseren we ons dan op?

Je kan aan de foto’s van filosofen zien dat je al een heel eind komt met broeierig voor je uit te kijken terwijl je tergend langzaam rookt. Maar op filosofisch vlak ligt het iets lastiger. Hoe leef je en vanuit welke overtuigingen leef je als je deze probeert te funderen op een basaler abstractieniveau dan waar onze waardes zich ophouden? Het pragmatische antwoord luidt zoals altijd; door te doen. Door al stuntelend stapje voor stapje enige vertrouwdheid te krijgen in het geïmproviseer dat we het leven noemen. Er is nou eenmaal geen recept om te leven. Om jezelf te zijn. Om hoe je om moet gaan met de levensproblemen die overblijven wanneer alle mogelijke wetenschappelijke vragen zijn beantwoord.

De uitdaging ligt daarmee in het steeds beter leren stuntelen. Het comfortabel worden in de beweging naar balans toe zonder dat deze ooit bereikt wordt. De paradoxale toestand van het je thuis maken in de aporie. Er is in die ruimte geen plek voor systeembouwers omdat iedere verklaring noodzakelijkerwijs slechts een afgeleide vormt van hetgeen het zou moeten verklaren. Gelukkig leidt dit niet tot het afwijzen van de drang om toch – tegen beter weten in, onze gedachten te laten te schuren met bestaan en deze met elkaar te delen. Juist de onmogelijkheid van oplossingen schept de ruimte waarin de vragen gaandeweg geïncorporeerd kunnen worden in onze manier van zijn.

Laat ons kortom blijmoedig stuntelen. Door te filosoferen zonder meetbare progressie, door ons te verhouden tot een bestaan waar we op fundamenteel niveau uiteindelijk niks van (kunnen) snappen. Door de mentale kramp van definitieve antwoorden los te laten en door de zoektocht naar vaste grond zelf tot grond te maken. Om met de woorden van het Weense orakel Wittgenstein te parafraseren; ik kan niet anders dan deze hopeloze drang ‘om (keer op keer) tegen de muren van onze taal op te rennen’ diep te respecteren.