Filosofisch Café Nijmegen

Over Narcisme en Dieren

door Jonne Hoek
dinsdag 4 oktober

De Romeinse dichter Ovidius vertelt in zijn Metamorfosen over Narcissus; een erg knappe maar ijdele jongen die zich zelfs door de mooiste meisjes en nimfen niet liet verleiden. Narcissus leefde enkel voor de jacht en hoonde al zijn aanbidders weg als ze weer eens een mislukte poging deden om hem te versieren. Er was voorspeld dat Narcissus een lang en gelukkig leven kon leiden zolang hij maar niet oog in oog met zichzelf zou komen te staan. Narcissus mocht zichzelf niet leren kennen, want dan zou hij ten dode opgeschreven zijn.

Op een dag werd dit één van Narcissus’ aanbidders te veel. Ze was weer eens lachend afgewezen door Narcissus en in liefdesverdriet richtte ze ze haar handen tot de hemel. Ze bad dat als Nacrissus eens verliefd zou worden, zijn liefde dan ook onbeantwoord zou mogen blijven, zodat hij, net zoals hij anderen in ongeluk had gestort ook zelf aan de liefde ten onder zou gaan. En zo gebeurde het, want op een dag werd Narcissus verliefd. Diep in het bos, in het heldere water van een spiegelgladde bron trof Narcissus een gestalte aan met een schoonheid die hij nog nooit eerder had gezien. Hij keek naar deze hem onbekend voorkomende jongeman, hij probeerde hem aan te raken, maar als hij in het water greep dan vluchtte de jongen weg. Hij riep tegen het wateroppervlak dat tussen hem en zijn geliefde instond, maar het enige wat hij hoorde was het weerkaatsen van zijn eigen stem. Van verliefd verdriet begon Narcissus toen te huilen, maar zijn tranen maakte rimpels op het wateroppervlak en vervormde de jongeman, iets wat hem nog wanhopiger maakte. Narcissus was gedwongen om doodstil aan de waterkant te blijven zitten, kijkend naar zijn liefde wat in werkelijkheid natuurlijk zijn eigen spiegelbeeld was.

Narcissus had niet door dat hij in werkelijkheid naar zichzelf keek, anders was hij misschien wel in staat geweest zich los te trekken van zijn eigen prachtige spiegelbeeld. Maar dat lukte niet en langzaam kwijnde Narcissus weg. Uiteindelijk bleef hij als een geel bloempje aan het water staan, met het kopje gebogen, in de richting van het spiegelend wateroppervlak.

Narcisten worden vaak gezien als mensen die heel veel van zichzelf houden. Zo wordt ook van Narcissus gezegd dat hij verliefd werd op zichzelf. Maar volgens mij kan deze lezing van het verhaal niet helemaal kloppen.

De moraal van het verhaal moet natuurlijk zijn dat Narcissus een heel oppervlakkig mannetje was. Hij viel namelijk alleen op zijn uiterlijk, terwijl we toch allemaal weten dat het innerlijk veel belangrijker is dan het uiterlijk. Hoe gaat het rijmpje ook al weer? Rozen verwelken en schepen vergaan, maar onze liefde -maar onze ziel zeggen de middeleeuwers misschien – maar ons brein zeggen we tegenwoordig – die liefde zal voor altijd blijven bestaan. Wat we daarmee uitdrukken is dat al het lichamelijke een keertje zal aftakelen. Ik kan er ook niets aan doen: we worden dat allemaal een keertje oud en lelijk. Maar wanneer je werkelijk van iemand houdt – van iemands innerlijk dus – dan zal deze liefde nooit vergaan. Echte liefde is onsterfelijk. Een mooie gedachte die helaas niet aan Narcissus was besteed want terwijl hij zichzelf bewonderend gadesloeg in het water ging hij langzaam dood van de honger. Narcissus stierf niet van de liefde, maar de liefde van Narcissus stierf met zijn lichaam. Narcistische liefde kan daarmee geen echte liefde zijn.
Maar niet alleen was Narcissus heel oppervlakkig in zijn uiterlijk geïnteresseerd, hij moet bovendien ook buitengewoon dom zijn geweest. Hoe kan het anders dat je niet door hebt dat je naar jezelf in de spiegel kijkt? Hoe kan het dat Narcissus daar zelfs niet achterkwam toen hij al spetterend zijn eigen spiegelbeeld verstoorde?

Zulke fratsen zien we doorgaans alleen maar in het dierenrijk. Met uitzondering van olifanten, dolfijnen, eksters en een hand vol apen schijnen alle dieren door de werking van een spiegel verward te worden. De dieren staan daar te blaffen, hijgen en blazen omdat ze in het spiegelbeeld een hitsige vijand herkennen die hun eten of liefdespartner af komt pakken. Overigens; dieren die zichzelf zo voor de gek houden denken blijkbaar dat ze die vijand in de spiegel wel aankunnen. Blijkbaar is de vijand die ze daar in de spiegel zien te stom, te zwak en te lelijk om ervoor weg te rennen. Niet voor niets springen ze keer op keer tegen de ruit op. De wat slimmere exemplaren kijken misschien eens achter de spiegel nadat ze een paar keer tegen de ruit zijn aangelopen. Maar dat wordt natuurlijk een kat en muisspel zonder einde. Kortom, ook dieren zijn zo naïef om hun spiegelbeeld voor een werkelijk persoon te nemen.

Maar toch is deze vergelijking met dieren nog te veel eer voor Narcissus. Want er is waarschijnlijk nog nooit een buffel in de woestijn van de dorst omgekomen omdat hij zijn spiegelbeeld niet wilde opdrinken. Na een tijdje wordt ook de kat voor de spiegel moe van het spelletje kiekeboe dat hij met zichzelf speelt. Ik durf te wedden dat de meeste dieren na een tijdje wel doorhebben dat ze in werkelijk geen echte persoonlijkheid voor zich hebben. Misschien herkennen ze zichzelf niet in het spiegelbeeld, maar wat ze na een tijdje wel doorhebben is dat het buitengewoon saai is om nog langer met zo’n stomme soortgenoot op te trekken die enkel en alleen nadoet wat zij zelf doen. Tot dat inzicht is Narcissus nooit gekomen.

Dit bevestigt de buitengewone oppervlakkigheid van Narcissus. Ook Narcissus herkende zichzelf niet -net als de meeste dieren- maar daarbovenop merkte hij niet eens dat zijn spiegelbeeld -naast hetzelfde- ook wat anders was dan hijzelf. Misschien verwachtte hij van zijn geliefde wederhelft ook niets meer dan een perfect lichaam zonder hersens. Als hij dat wel had verwacht dan was Narcissus waarschijnlijk snel uitgekeken geweest op de persoon die hem de hele tijd nadeed. Maar Narcissus zag zijn eigen oppervlakkigheid weerspiegeld en hij vond het geweldig. En daarin bestaat misschien wel de werkelijk narcistische aard: in de omarming van de eigen oppervlakkigheid.

Ook van dieren wordt wel eens gezegd dat ze geen innerlijk hebben. Maar als wij ons brein zijn, of wanneer ons innerlijk zich afspeelt in ons brein, dan zouden we ook dieren een innerlijk mogen toedichten. Zeker vandaag, want het is zoals u weet vandaag dierendag.

Ook dieren hebben hersenen, misschien wat kleiner dan die van ons, maar zo’n soort verschil moet ons niet op het verkeerde been zetten. Dit zag ook de peetvader van dierendag, de heilige Fransiscus van Assisi in. Franciscus leefde in de twaalfde eeuw na Christus en moet diep overtuigd zijn geweest van het feit dat dieren een innerlijkheid hebben. Hij was zelfs in staat om met de dieren te praten! Hij vertelde de vogeltjes en de vissen van Christus’ blijde boodschap en heeft zelfs een keer een verbond tussen mens en dier gesmeed door een bloeddorstige wolf over te halen om in de stad te gaan leven, daar niemand ooit meer kwaad te doen op voorwaarde dat de stedelingen hem altijd van eten zouden voorzien.

Maar wat ik niet zeker weet is of er voor deze dieren geen plekje in het hemelrijk van Franciscus was gereserveerd. Fransiscus vertelde de vogeltjes misschien wel over de engelenkoren, maar of de eendjes daarin mochten mee-kwaken dat vraag ik me af. Dit is in onze tijd natuurlijk niet anders, een tijd waarin de beschermheilige is ingewisseld voor een partij voor de dieren en een lidmaatschapkaart met een panda erop. Want als het erop aankomt dan is de hongerige mens niet alleen zeer oppervlakkig geïnteresseerd in dieren, maar heeft hij ook nog zoveel zelfliefde over dat hij zichzelf met volle maag een plekje in de hemel belooft.