Filosofisch Café Nijmegen

Moeten de rijken de armen helpen? – Franka de Bruin

“Met hard werken kom je er wel.” “Mensen profiteren toch alleen maar van hun uitkering.” Of “In Nederland zijn er toch geen echt arme mensen.” Het zijn leuzen die ik vaak om mij heen hoor, met de bedoeling om het probleem van armoede te minimaliseren, of zelfs het hele bestaan ervan te ontkennen. Deze uitspraken komen misschien nogal ongenuanceerd of harteloos over, maar eigenlijk is het helemaal niet zo raar dat men zich graag verschuilt achter het dogma dat arm zijn een vrijwel altijd zelf veroorzaakt probleem is, want deze aanname zou namelijk suggereren dat het niet aan ons is om dit probleem op te lossen. Waarom eigenlijk? We reanimeren mensen die een overdosis drugs hebben genuttigd. We behandelen kettingrokers die longkanker hebben gekregen. In beiden gevallen zou men kunnen beargumenteren dat de nare situaties waarin deze mensen verkeren door hen zelf veroorzaakt is. Als maatschappij hebben we echter besloten dat het toch onze plicht is deze mensen wél te helpen. Longkanker en overdosissen zijn acute problemen die tot de dood kunnen leiden indien er geen maatregelen worden genomen voor herstel, maar vergis je niet: armoede is minstens even dodelijk. Deze inconsequente instelling jegens hulpverlening aan mensen in nood roept zijn vragen op. Waar leggen wij de grens? Welke zelf veroorzaakte problemen moeten wij oplossen?

Een ander voorbeeld waarin deze ambiguïteit aan het licht wordt gebracht is binnen het waarderen en handhaven van onze grondrechten. Sinds de verlichting zijn in de meeste West-Europese democratieën regels geformuleerd die zouden vaststellen waar ieder levend mens recht op heeft. De naleving van deze regels is altijd dubbelzinnig geweest: we zien het in de ironie van de woorden “All Men Are Created Equal” in de Amerikaanse grondwet terwijl er een actieve slavenhandel bezig was op het moment dat dit document werd ondertekend, maar ook tegenwoordig maakt men kanttekeningen bij onze grondrechten. Het recht van vrijheid van meningsuiting en het najagen van geluk zijn één van de meest bejubelde basisprincipes binnen het liberalisme. Dergelijke zaken worden door de meeste mensen als vrijwel vanzelfsprekend gezien, zoals het recht op een goede gezondheid, onderdak en voldoende eten. In de praktijk is dit echter niet zo voor de hand liggend als wij denken. Een lager inkomen kan het nuttigen van uitgebalanceerd en gezond eten al belemmeren en daarbij is gezondheidszorg vrijwel onbereikbaar voor mensen met een minimumloon in landen die het Angelsaksische model handhaven. Als deze twee dingen al problematisch worden, hoe zit het dan met de rest van de kwaliteit van leven? Gezondheid wordt gezien als het hoognodige, de onderste laag in een hiërarchie van benodigdheden die de mens nodig heeft om een betekenisvol en gelukkig leven te leiden. We dwepen met het belang van de grondrechten maar slagen er niet in te onderkennen dat zelfs de meest fundamentele zaken inkomen gebonden zijn.

Nog steeds niet overtuigd? Bekijk het dan eens op deze manier. Heb je ooit wel eens een bedelaar wat geld gegeven? Indien je dat hebt gedaan, herken je vast het gevoel nadien iets goeds te hebben gedaan, iets positiefs, iets liefdadigs. Misschien is dat nog wel het grootste probleem. We zien het helpen van minder bedeelden als liefdadigheidswerk en niet als rechtvaardigheid. Is het daadwerkelijk liefdadig om iemand geld te geven voor zoiets voor de hand liggends als onderdak? Of is het alleen maar vanzelfsprekend? De filosofe Elisabeth Ashford geloofde dat deze kijk op armoede tot een enorme verandering zou leiden in de manier waarop wij naar armoede kijken. Ze stelde dat wanneer men dit als een kwestie van rechtvaardigheid zag, de vraag niet meer ging om hoeveel van onze middelen we beschikbaar zouden moeten stellen voor het oplossen van dit probleem, maar de vraag of deze middelen in eerste instantie überhaupt ons bezit zijn om aan anderen toe te kennen. Is het immers niet onrechtvaardig om te zeggen “dit geld is van mij, maar omdat ik zo’n goed hart heb geef ik het aan jou zodat je vanavond kan eten,” als je diep in je hart weet dat het recht op een warme maaltijd een minimaal principe is?