Filosofisch Café Nijmegen

Literair darwinisme

door Chris Buskes

7 september 2010

Dames en heren, beste mensen!

Het Darwinjaar is alweer ruimschoots voorbij, maar de nasleep doet zich nog steeds voelen. Ook vanavond is Darwin weer onder ons. Althans, zijn geest, zijn invloed op ons denken – nu in de vorm van het zogeheten ‘literair darwinisme’. Literair darwinisme, zo heeft André Lardinois ons eerder vanavond duidelijk gemaakt, kijkt vanuit een evolutionair perspectief naar literatuur, en naar het vertellen van verhalen in het algemeen. En de vraag is natuurlijk: schieten we daar iets mee op?

Het is inderdaad waar: de mens bezit het vermogen om verhalen te verzinnen, te vertellen, op te schrijven, te lezen, of er naar te luisteren. Zoals het ernaar uitziet is het vertellen van verhalen een oeroude, universeel menselijke eigenschap. In alle culturen vertellen mensen verhalen aan elkaar. Overal ter wereld worden mensen geboeid door sprookjes, mythen en fabels. En overal ter wereld vertellen ouders verhaaltjes aan hun kinderen voordat die gaan slapen.

Volgens literair darwinisten moeten we constateren dat onze fascinatie voor verhalen een biologische achtergrond heeft. Gedurende de menselijke evolutie hebben individuen met een creatieve, narratieve geest blijkbaar aan het langste eind getrokken. Zij waren onze voorouders, onze verhalen-vertellende voorouders.

In zijn heldere voordracht heeft André laten zien dat er verschillende scholen van literair darwinisten zijn. Zo is er één school die meent dat we specifiek naar het gedrag en de beweegredenen van romanpersonages moeten kijken. Wanneer je het gedrag van de protagonisten analyseert, dan zou blijken dat het gedrag vrijwel altijd kan worden herleid tot elementaire biologische motieven, met name tot de noodzaak tot voortplanting. Let wel, het hoeft dus niet zo te zijn dat een romanpersonage hier bewust naar streeft. Het kan zelfs zo zijn dat de auteur er tijdens het schrijven niet eens van bewust was! De diepere biologische motieven sluimeren immers in het onbewuste, en dat geldt zowel voor de protagonisten als voor de schrijver. Punt is dat we allemaal tot dezelfde biologische soort behoren: Homo sapiens. We zijn het product van evolutie. En de grote literatuur weerspiegelt deze universele menselijke natuur. De grote werken uit de wereldliteratuur – de Ilias, Othello, Madame Bovary – kunnen onveranderlijk tot bepaalde basale drijfveren worden herleid. Seks, macht, geweld, overspel, jaloezie – de canon van de wereldliteratuur staat er bol van. Maar let wel, dezelfde drijfveren vind je ook terug in de Bouquetreeks of een kasteelroman! Het literair darwinisme, althans in deze vorm,  is niet in staat een onderscheid te maken tussen literatuur en pulp, of tussen hoge en lage cultuur.

Je hebt ook een andere school van literair darwinisme die niet zozeer naar de protagonisten of de plot van romans kijkt, maar zich afvraagt waarom wij überhaupt zo gefascineerd worden door verhalen. Dus niet het gedrag van de romanpersonages is hier relevant, maar ons eigen leesgedrag. Waarom zitten we vaak urenlang, in onze vrije tijd, met onze neus in de boeken? Waarom smullen we zo van een verzonnen verhaal?

Volgens de Nieuw-Zeelandse literatuurwetenschapper en Nabokov-kenner Brian Boyd komt onze behoefte aan literaire fictie voort uit zelfbehoud. Boyd, die in februari volgend jaar naar Nijmegen komt voor een aan hem gewijd symposium, publiceerde vorig jaar het boek On the origin of stories. Volgens Boyd komt onze liefde voor verhalen voort uit nieuwsgierigheid naar menselijk gedrag. De verhalen die we tijdens ons leven leren kennen,vergroten ons sociaal inzicht. De lezer zoekt – bewust of onbewust – naar de moraal van het verhaal. Welke les kan ik uit deze vertelling trekken? Kennis van de literatuur maakt je niet alleen belezen, en wellicht zelfs wijs, het maakt ook dat je trefzekerder kunt handelen. Het vergroot je sociale intelligentie, aldus Boyd.

Tja, wat moeten we daar nu van zeggen? Eerlijk gezegd weet ik het niet goed. Ik vind de verklaringen van de literair darwinisten soms wat te gemakkelijk, en een andere keer juist weer te geforceerd. Ik denk zelf dat onze waardering voor verhalen, romans en literatuur onderdeel is van een bredere, meer omvattende menselijke eigenschap, te weten: onze interesse in en waardering voor de schone kunsten in het algemeen. En deze waardering voor kunst is waarschijnlijk het resultaat van seksuele selectie. Het maken van mooie dingen – en dat kan dus ook een verhaal of een gedicht zijn – is een goede manier om seksuele rivalen te imponeren, en potentiële liefdespartners te verleiden. Dit voor de mannen onder ons: kunst is als de staart van de pauwhaan. Als je een mooie, grote staart hebt, dan zit je seksleven meestal wel snor.

Wat ik zelf als wetenschapsfilosoof vooral interessant vind, is dat Darwins invloed gestaag blijft groeien. De wetenschappen die zich bezighouden met de mens en maatschappij – de sociale- of gammawetenschappen – vertonen een toenemende ‘biologisering’. Denk aan de rehabilitatie van de sociobiologie en de opmars van de evolutiepsychologie. En nu blijken ook de alfawetenschappen – de geesteswetenschappen dus – ten prooi te vallen aan de expansiedrift van het evolutionaire paradigma. Darwin rukt steeds verder op! De geesteswetenschappen, de humaniora, vormden lange tijd het laatste bastion dat nog niet was geïnfiltreerd door het darwiniaanse denkraam, maar dat is nu ook verleden tijd. Er is een brug ontstaan tussen de geesteswetenschappen enerzijds en de biologische en levenswetenschappen anderzijds. Het inzicht dat is doorgebroken, is dat men begint te beseffen dat de mens weliswaar ten dele een cultuurwezen is, maar dat hij tegelijkertijd het resultaat is van een lange, evolutionaire geschiedenis. Net als alle andere wezens – dieren, planten en schimmels – komt Homo sapiens voort uit het natuurlijke proces van evolutie. En er is geen enkele reden te denken dat we voorgoed aan die biologische erfenis zijn ontstegen.

Het is de verdienste van het literair darwinisme dat dit inzicht zich heeft genesteld binnen de geesteswetenschappen. Bovendien, de toenadering tussen de natuurwetenschap en de geesteswetenschap opent de mogelijkheid naar wat de vermaarde bioloog Edward O. Wilson ‘consilience’ heeft genoemd. Consilience, of consiliëntie, benadrukt het samenkomen van kennis. Wilsons stelt dat we moeten streven naar de eenheid van alle kennis, de unity of knowledge. Het idee is dat alle wetenschappen binnen één overkoepelend kader kunnen worden ondergebracht, zonder dat hun eigenheid daarbij wordt aangetast. Of dit ideaal ook inderdaad verwezenlijkt kan worden, is een open vraag. Misschien kunnen we de balans opmaken in het volgende grote Darwinjaar, in 2059.